Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
08-6335 WUV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een aanvullende uitkering op grond van de Wet ter compensatie van de korting die op zijn pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt toegepast in verband met zijn verblijf in Israël van augustus 1963 tot april 1974. De Raad kan verweerster in dit standpunt geheel volgen. In de gevraagde compensatie van inkomensnadeel door de periode van verblijf in Israël kan niet worden voorzien op grond van de artikelen 20 en 21 van de Wet. Er is geen sprake van daadwerkelijk gemaakte kosten in verband met de door de vervolging veroorzaakte ziekten of gebreken van appellant. Dat appellant destijds om begrijpelijke redenen naar Israël is gegaan maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6335 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], hierna: appellant,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 10 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 25 september 2008, kenmerk BZ 47850, JZ/U60/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet), verder: bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009. Namens appellant is verschenen mr. drs. J. Hemelaar, advocaat te Leiden, en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant, geboren in 1941, is in 1973 met ingang van 1 juli 1970 een periodieke uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling Vervolgingsslachtoffers 1940-1945 toegekend en aansluitend met ingang van 1 januari 1973 een periodieke uitkering op grond van de Wet. Verder zijn aan hem enkele voorzieningen toegekend.

1.2. Bij brief van 22 oktober 2007 is namens appellant verzocht om een aanvullende uitkering op grond van de Wet ter compensatie van de korting die op zijn pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt toegepast in verband met zijn verblijf in Israël van augustus 1963 tot april 1974. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft verweerster hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. In beroep is namens appellant in hoofdzaak bepleit dat het vertrek naar Israël en dus de periode van afwezigheid van appellant in Nederland mede het gevolg was van de vervolging. Appellant heeft een groot aantal familieleden verloren in de Tweede Wereldoorlog en heeft zelf vervolging ondergaan en heeft die ervaring niet goed kunnen verwerken door het kille klimaat dat na de oorlog in Nederland bestond ten opzichte van Joden die terugkeerden. Hierdoor had appellant behoefte lotgenoten op te zoeken en te bezien of hem elders een begripvoller maatschappij wachtte. In Israël heeft appellant leren omgaan met de ondergane spanning en het verlies en hij heeft zich daarna in Nederland met succes kunnen (her)integreren. Nu het verblijf in Israël heeft geleid tot een gat in de opbouw van de AOW-rechten van appellant en dit in relatie staat tot zijn oorlogsverleden acht appellant het aangewezen dat hiervoor een compenserende uitkering wordt verstrekt op grond van artikel 20 of 21 van de Wet. Naar de mening van appellant gaat het hier om voor zijn rekening blijvende kosten die in verband staan met de door de vervolging veroorzaakte ziekten of gebreken. Vanwege het kille klimaat heeft appellant Nederland destijds verlaten, hij heeft in Israël zijn balans hervonden en daarna in Nederland jarenlang kunnen werken. Dit heeft voor hem dus gewerkt als een therapie, zodat dit past binnen doel en strekking van de artikelen 20 en 21van de Wet.

3. Verweerster heeft in verweer aangevoerd dat de stelling van appellant berust op een verkeerde interpretatie van de Wet. Duidelijk is door de wetgever bedoeld om een vergoeding te bieden voor kosten die moeten worden gemaakt en die ook daadwerkelijk worden gemaakt. Bij het betreffende “AOW-gat” gaat het niet om het maken van kosten voor een medische behandeling of een daarmee rechtstreeks verband houdende voorziening, maar om een gemis aan inkomsten voor levensonderhoud die appellant wel gehad zou hebben als hij in Nederland zou zijn gebleven. De Wet kent aanspraak op een periodieke uitkering, waarmee wordt beoogd het inkomen aan te vullen tot het voor de betrokkene vastgestelde levenspeil. In het geval van appellant komt deze uitkering niet tot uitbetaling omdat zijn inkomen hoger is dan dat levenspeil. Het zou een oneigenlijke toepassing van de Wet zijn om in een geval als dit in het kader van de bijzondere voorzieningen van artikel 20 en 21 van de Wet inkomensbestanddelen aan te vullen.

4. De Raad kan verweerster in dit standpunt geheel volgen. In de gevraagde compensatie van inkomensnadeel door de periode van verblijf in Israël kan niet worden voorzien op grond van de artikelen 20 en 21 van de Wet. Er is geen sprake van daadwerkelijk gemaakte kosten in verband met de door de vervolging veroorzaakte ziekten of gebreken van appellant. Dat appellant destijds om begrijpelijke redenen naar Israël is gegaan maakt dat niet anders. Al hetgeen namens appellant verder nog naar voren is gebracht kan de Raad niet tot een andere conclusie leiden.

5. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. Lammerse.

HD