Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
08-6161 WUV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag gelijkstelling met vervolgde op de grond dat bij appellante geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs in verband zijn te brengen met het omkomen van haar vader. Verweerster heeft haar standpunt gebaseerd op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd. Noch in de voorhanden zijnde medische gegevens noch anderszins heeft de Raad enige grondslag kunnen vinden om te twijfelen aan de juistheid van het aan de hand van genoemde adviezen tot stand gekomen standpunt van verweerster. De Raad heeft ook niet kunnen vaststellen dat de door verweerster gevolgde medische adviezen wat de waardering van de psychische klachten van appellante betreft berusten op onjuiste gegevens en/of een onjuiste interpretatie van die gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6161 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 3 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 30 september 2008, kenmerk BZ 47860, JZ/P70/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009. Appellante is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In februari 2008 heeft appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om - voor zover nog van belang - haar met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met een vervolgde gelijk te stellen en, onder meer, een periodieke uitkering toe te kennen. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij door het overlijden van haar vader aan de gevolgen van zijn Japanse krijgs-gevangenschap gezondheidsklachten heeft gekregen.

1.2. Bij besluit van 16 juni 2008, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat bij appellante geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs in verband zijn te brengen met het omkomen van haar vader.

1.3. In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij al vanaf haar kindertijd kampt met psychische en lichamelijke klachten, die naar haar mening zijn toe te schrijven aan het verlies op jeugdige leeftijd van haar vader, waardoor het gezin uit elkaar gerukt werd.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster, onder meer, bevoegd om met een vervolgde gelijk te stellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat de Raad dient na te gaan of gezegd moet worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel of het bestreden besluit overigens in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel.

2.2. Verweerster heeft - naar uit de gedingstukken blijkt - het omkomen van de vader van appellante ten gevolge van zijn vervolging door de Japanse bezetter van het voormalige Nederlands-Indië op zichzelf aangemerkt als omstandigheid welke overeenkomst vertoont met vervolging. Niettemin heeft verweerster geweigerd om van de haar in artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven bevoegdheid gebruik te maken, omdat naar haar oordeel bij appellante geen sprake is van enig(e), met die omstandigheid redelijkerwijs in verband te brengen ziekte of medisch gebrek.

Zoals de Raad al vaak in soortgelijke gedingen heeft uitgesproken, kan verweerster bij de beoordeling van op artikel 3, tweede lid, van de Wet gebaseerde aanspraken in redelijkheid deze norm hanteren.

Het geding spitst zich, gelet op hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, dus toe op de vraag of verweerster op goede gronden tot haar evengenoemd medisch standpunt is gekomen. Die vraag beantwoordt de Raad op de hierna volgende gronden bevestigend.

2.3. Verweerster heeft haar standpunt gebaseerd op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op de resultaten van een door de arts J.J. Nasheed-Linssen uitgevoerd onderzoek van appellante en op van de huisarts van appellante verkregen informatie. In deze adviezen is geconcludeerd dat appellante een actieve “copingstijl” heeft en dat geen sprake is van een persoonlijkheidsstoornis of van zodanige andere klachten dat van een psychiatrisch toestandsbeeld moet worden gesproken.

2.4. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd.

Noch in de voorhanden zijnde medische gegevens noch anderszins heeft de Raad enige grondslag kunnen vinden om te twijfelen aan de juistheid van het aan de hand van genoemde adviezen tot stand gekomen standpunt van verweerster. De Raad heeft ook niet kunnen vaststellen dat de door verweerster gevolgde medische adviezen wat de waardering van de psychische klachten van appellante betreft berusten op onjuiste gegevens en/of een onjuiste interpretatie van die gegevens.

3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P. Boer.

HD