Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6482

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
08-5702 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om immateriële schadevergoeding in verband met nabetalen WAO-uitkering. De rechtbank heeft de hoogte van het naar billijkheid toegekende bedrag aan immateriële schadevergoeding als gevolg van het aan de persoon van appellant toegebrachte leed (smartengeld), voldoende gemotiveerd. Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, werpt hierop geen ander licht. De Raad kan zich daarom verenigen met de vastgestelde vergoeding. Betaling van de wettelijke rente over de op grond van artikel 6:106 van het BW toegekende schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/48
USZ 2010/64
JB 2010/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5702 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2008, 07/7

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Beydals, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Voor het Uwv is verschenen F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Aan appellant is per 18 september 2000 wegens arbeidsongeschiktheid als gevolg van psychische klachten, een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend.

1.3. Bij besluit van 12 september 2001 is per 11 november 2001 de WAO-uitkering aan appellant herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55% Het bezwaar van appellant d.d. 22 oktober 2001 is aanvankelijk bij besluit van 25 september 2002 ongegrond verklaard doch nader bij besluit van 24 februari 2003 gegrond, waarbij de klasse is vastgesteld op 55 tot 65%. Bij besluit van 11 juli 2003 is voorts de uitkering op grond van de Ziektewet die aan appellant vanaf 3 februari 2003 was toegekend, onder herroeping van het primaire besluit van 11 april 2003, beëindigd per 11 april 2003.

1.4. Bij uitspraak van 1 juni 2005 (02/4734 en 03/3699) heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 25 september 2002 niet-ontvankelijk verklaard en de besluiten van 24 februari 2003 en 11 juli 2003 vernietigd. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat op grond van de resultaten van het door haar deskundige, de psychiater dr. R.V. Schwarz, ingestelde onderzoek moet worden geconcludeerd dat appellant op 11 november 2001 als gevolg van een gegeneraliseerde angststoornis in het geheel niet belastbaar was met arbeid. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat deze situatie vanaf februari 2003 was verbeterd, maar dat langzame reïntegratie nodig was. De rechtbank heeft geoordeeld dat over een eventuele vergoeding van schade nader zal moeten worden beslist.

1.5. Het Uwv heeft in die uitspraak berust en heeft bij besluit van 2 september 2005 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 11 november 2001 ongewijzigd op 80 tot 100% vastgesteld. Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant per 4 december 2005 herzien naar de klasse 65 tot 80%. Tegen deze besluiten heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.6. Bij besluiten van 7 februari 2006 heeft het Uwv beslist over de hoogte van de te vergoeden wettelijke rente over het na te betalen bedrag aan WAO-uitkering. Appellant heeft tegen deze beslissingen bezwaar gemaakt.

1.7. Bij brief van 9 januari 2006 heeft appellant het Uwv verzocht om schadevergoeding en aangegeven: “Ik vorder thans nog steeds volledige schadevergoeding. Zowel materiële (wettelijke rente) als psychische schade.”.

1.8. Bij besluit van 7 augustus 2006 heeft het Uwv de vordering van immateriële schadevergoeding afgewezen, omdat geen sprake was van ernstige psychische klachten als gevolg van onrechtmatige besluitvorming van het Uwv. De reeds ingediende bezwaren zijn door het Uwv tevens gericht geacht tegen dit besluit.

1.9. Bij besluit van 8 december 2006 heeft het Uwv beslist op de bezwaren van appellant. Daarbij heeft het Uwv aangegeven dat de bezwaren in wezen zijn gericht op de weigering van de vergoeding van immateriële schade. Het Uwv heeft beslist dat er geen grond is om het besluit te herroepen waarbij is geweigerd appellant vergoeding toe te kennen van schade als gevolg van het gestelde geleden geestelijk leed als bedoeld in artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Wel heeft het Uwv aan appellant een bedrag van € 900,-- toegekend in verband met de traagheid van de bestuurlijke besluitvorming. De bezwaren tegen de beslissingen over de wettelijke rente zijn ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft beroep ingesteld en de rechtbank verzocht het geding versneld te behandelen. Onder overlegging van een rapport van psychiater prof. dr. H.J.C. van Marle heeft appellant zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade nader onderbouwd. Appellant meent dat ten onrechte niet is beslist over alle materiële schade en heeft aan immateriële schade wegens aantasting van de persoon een bedrag van € 15.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2001 gevorderd.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 8 december 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft beslist dat appellant zijn vordering tot vergoeding van materiële schade in zijn brief van 9 januari 2006 uitdrukkelijk heeft beperkt tot de wettelijke rente en dat appellant zich met een eventuele vordering tot vergoeding van andere materiële schadeposten tot het Uwv dient te wenden. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de beslissingen over de vergoeding van wettelijke rente niet meer in geding zijn en heeft deze niet bij de beoordeling betrokken.

2.3. Ten aanzien van de hoogte van de schade ten gevolge van de traagheid in de bestuurlijke besluitvorming heeft de rechtbank geconcludeerd dat partijen het eens zijn geworden dat deze vertraging 20 maanden bestrijkt hetgeen in dit geval een te vergoeden schade van € 1.200,-- inhoudt. Ten aanzien van de gevorderde schade als gevolg van de gestelde aantasting van de persoon, acht de rechtbank gelet op alle omstandigheden vergoeding van een bedrag van € 5.000,-- billijk. De rechtbank heeft hierbij niet alleen het rapport van Van Marle betrokken, maar ook dat bij appellant ten tijde van het onderzoek van Van Marle onvoldoende aanwijzingen bestaan dat van een depressie of angststoornis nog steeds sprake is, alsmede de verwachting dat de klachten verder zullen verminderen.

2.4. De rechtbank heeft het (primaire) besluit van 7 augustus 2006 herroepen, de hoogte van de door verweerder te vergoeden immateriële schade vastgesteld op in totaal € 6.200,-- en bepaald dat die beslissing in de plaats komt van het primaire besluit. De rechtbank heeft voorts bepaald dat het griffierecht en de proceskosten van appellant dienen te worden vergoed, waaronder de kosten van het rapport van Van Marle, tot een bedrag van in totaal € 1.724,60.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en heeft een groot aantal producties overgelegd. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de vordering van materiële schadevergoeding was beperkt tot de wettelijke rente en dat, zo dat al het geval was, tijdens de bezwaar-procedure duidelijk is geworden dat deze meer omvatte, zodat Uwv en rechtbank daarop hadden moeten beslissen. Appellant meent dat de rechtbank het te vergoeden bedrag aan immateriële schadevergoeding wegens de aantasting van de persoon te laag heeft vastgesteld en meent dat een bedrag van € 15.000,-- redelijk is. Voorts meent appellant dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist over de vordering tot vergoeding van de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding en vordert deze rente alsnog. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat, nu de rechtbank niet heeft beslist het geding versneld te behandelen, zijn klachten en gemoedstoestand negatief zijn beïnvloed, hetgeen bij de vaststelling van de schade dient mee te wegen.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het geding in hoger beroep is beperkt tot de beslissingen van de rechtbank die in de vorige overweging zijn genoemd.

4.2. Ten aanzien van hetgeen is aangevoerd over de vordering tot het vergoeden van materiële schade overweegt de Raad als volgt.Ter beoordeling is een besluit van het Uwv naar aanleiding van een verzoek van appellant om zijn schade te vergoeden die het gevolg is van de vaststaande onrechtmatigheid van de besluiten van 24 februari 2003 en 11 juli 2003. Het betreft daarom de beoordeling van een zogenoemd zuiver schadebesluit. Dat besluit is genomen naar aanleiding van het verzoek van appellant van 9 januari 2006. Evenals de rechtbank meent de Raad dat het Uwv dat besluit heeft kunnen opvatten als een verzoek om vergoeding van wettelijke rente en van immateriële schade, onder meer omdat eventuele andere materiële schade in het geheel niet in het verzoek wordt genoemd. Ook in de bezwaarfase worden geen concrete schadeposten genoemd; dat gebeurde pas in de fase van het beroep. Het Uwv heeft gelet op het vorenoverwogene terecht alleen beslist over de wettelijke rente en de immateriële schade. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat indien appellant van mening is dat hij naast de wettelijke rente nog recht heeft op vergoeding van andere materiële schade, hij zich met een vordering eerst tot het Uwv dient te richten. Deze beroepsgrond slaagt thans niet.

4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de hoogte van het naar billijkheid toegekende bedrag aan immateriële schadevergoeding als gevolg van het aan de persoon van appellant toegebrachte leed (smartengeld), voldoende gemotiveerd. Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, werpt hierop geen ander licht. De Raad kan zich daarom verenigen met de vastgestelde vergoeding. Het daartegen ingestelde hoger beroep faalt derhalve.

4.4. Voor een hogere schadevergoeding als gevolg van het niet versneld behandelen door de rechtbank van het geschil bestaat geen reden. Daarbij stelt de Raad vast dat door appellant geen vergoeding van schade als gevolg van schending door de rechtbank van de zogenoemde redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM is gevorderd.

4.5. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het Uwv niet heeft veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de wegens de vertraagde bestuurlijke besluitvorming overeengekomen vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 1.200,--.

Die grief slaagt niet, omdat de wettelijke rente moet worden geacht te zijn verdisconteerd in die vergoeding.

4.6. Appellant heeft in hoger beroep voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het Uwv niet heeft veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de op grond van artikel 6:106 van het BW toegekende schadevergoeding. Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de wettelijke rente had dienen en dus alsnog dient te worden berekend per zo niet 12 september 2001, de datum van het primaire besluit tot verlaging van de WAO-uitkering, dan toch per 11 november 2001, de datum van ingang van die verlaging. Deze grief slaagt gedeeltelijk.

Gelijk de Raad heeft beslist in zijn uitspraak van 21 juni 2005, LJN AT9093, is de vordering van vertragingsschade opeisbaar vanaf het moment dat het onrechtmatige besluit schade tot gevolg heeft. De rechtbank heeft het primaire zelfstandige schadebesluit van 7 augustus 2006 herroepen, de hoogte van de schadevergoeding vastgesteld op € 5.000,-- en bepaald dat haar beslissing in de plaats komt van het primaire besluit. De Raad begrijpt die beslissing van de rechtbank aldus dat in dat bedrag is verdisconteerd de wettelijke rente over de door haar toegekende schadevergoeding tot aan het moment van het onjuiste primaire schadebesluit. Wat de periode tot aan 7 augustus 2006 betreft slaagt deze grief van appellant niet.Naast die aldus verdisconteerde wettelijke rente heeft appellant aanspraak op de wettelijke rente over die door de rechtbank toegekende schadevergoeding met ingang van de datum van het primaire schadebesluit. De rechtbank heeft dus ten onrechte het Uwv niet veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 5.000,-- per 7 augustus 2006 tot en met de dag der voldoening. Wat de periode per 7 augustus 2006 betreft slaagt deze grief van appellant wel.

5. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten, behoudens voor zover de rechtbank niet heeft beslist op de vordering van appellant tot vergoeding van de wettelijke rente over het bedrag van € 5.000,-- aan immateriële schadevergoeding per 7 augustus 2006 tot en met de dag der voldoening.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de vordering tot vergoeding van vertragingsschade als bedoeld in overweging 4.6 niet is toegewezen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Veroordeelt het Uwv tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente als aangegeven in overweging 4.6 van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het ter zake van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.E. van Rooij.

KR