Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2009
Datum publicatie
15-12-2009
Zaaknummer
09/2052 CSV + 09/2236 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Correctienota's, inhoudende herbeoordeling aanvraag korting en vrijstelling op de basispremie als bedoeld in artikel 77b van de WAO ingediend voor het premiejaren 2000 en 2001, welke eerder volledig waren gehonoreerd. Dubbel hoger beroep. Besluit tot premievaststelling in het kader van artikel 77b van de WAO aangemerken als besluit tot premievaststelling in de zin van artikel 11, eerste lid, van de CSV, waarbij artikel 13, eerste lid, van de CSV leidend is. Termijn van 5 jaren bij nemen besluit verstreken. Nog daargelaten of het op grond van bijzondere omstandigheden mogelijk is om af te wijken van de in artikel 13, eerste lid, van de CSV genoemde termijn van vijf jaren, is de Raad van oordeel dat de door het Uwv genoemde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, in ieder geval niet als zodanig zijn aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2052 CSV

09/2236 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

1. [Appellante B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], (hierna: appellante)

2. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:

het Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 maart 2009, 08/1094 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Uwv

Datum uitspraak: 10 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft L. van den Heuvel, werkzaam bij Robidus Adviesgroep B.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg. nrs. 09/3770 tot en met 09/3778, 09/3780 tot en met 09/3799, 09/2022, 09/2051 en 09/2355, plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Voor appellante zijn verschenen L. van den Heuvel, voornoemd, en [naam B.] [naam L.L.M.], eveneens werkzaam bij Robidus Adviesgroep B.V. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Segers, J. van der Stoop en C. Meijer, allen werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst en wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in deze gedingen aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), zoals die luidden ten tijde hier van belang.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2.1. Op 8 december 2006 heeft Arbeidskundig Projectburo [naam projectbureau]. namens appellante een aanvraag korting en vrijstelling op de basispremie als bedoeld in artikel 77b van de WAO ingediend voor de premiejaren 2000 en 2001. Bij besluiten van 15 december 2006 heeft het Uwv deze aanvragen volledig gehonoreerd en appellante een premievrijstelling en korting toegekend van € 29.846,03 (2000) en € 4.368,09 (2001).

2.2. Bij brief van 10 december 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat is gebleken dat bij de afhandeling van de aanvraag onjuiste procedures zijn toegepast en dat is besloten om aangifte te doen bij Justitie. De herbeoordeling van de aanvraag van 8 december 2006 heeft geleid tot correctienota’s van 14 december 2007 ter hoogte van € 19.384,74 (2000) en € 4.368,09 (2001).

2.3. Bij besluit van 23 mei 2008 heeft het Uwv het namens appellante gemaakte bezwaar tegen de correctienota’s van 14 december 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de correctienota’s materieel juist zijn, en dat noch het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de CSV noch de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de weg staan aan het ten nadele van appellante terugkomen van de oorspronkelijke besluiten van 15 december 2006.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen het besluit van 23 mei 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover die betrekking hebben op het jaar 2000 in stand blijven, het primaire besluit van 14 december 2007 dat betrekking heeft op het premiejaar 2001 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover dat betrekking heeft op het premiejaar 2001. De rechtbank heeft wat betreft de bevoegdheid van het Uwv om terug te komen van de besluiten van 15 december 2006 onderscheid gemaakt tussen de premiejaren 2000 en 2001. Ten aanzien van het premiejaar 2000 heeft de rechtbank overwogen dat de aanvraag op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid is ingewilligd en dat, nu de aanvraag is ingediend en het toekenningsbesluit is genomen na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de CSV, dit artikellid niet van toepassing is op die toekenning en de op grond daarvan verrichte betalingen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het Uwv zich in het kader van het buitenwettelijk beleid inzake het premiejaar 2000 beroepen op het algemene rechtsbeginsel dat hetgeen onverschuldigd is betaald mag worden teruggevorderd. Ten aanzien van het premiejaar 2001 is de rechtbank van oordeel dat artikel 13, eerste lid, van de CSV in de weg staat aan nadere premievaststelling.

4.1. Appellante bestrijdt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen voor het premiejaar 2000 in stand zijn gelaten. Appellante betoogt dat voor de redenering van de rechtbank ten aanzien van het premiejaar 2000 geen steun kan worden gevonden in regelgeving of rechtspraak en dat de door de rechtbank gevolgde (juiste) redenering ten aanzien van het premiejaar 2001 ook zou moeten gelden ten aanzien van het premiejaar 2000.

4.2. Het Uwv bestrijdt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 23 mei 2008 inzake het premiejaar 2000 is vernietigd en voor zover daarbij het besluit van 23 mei 2008 inzake het premiejaar 2001 is vernietigd en het primaire besluit is herroepen. Het Uwv betoogt dat sprake is van een bijzonder geval, waarbij toepassing van artikel 13, eerste lid, van de CSV zo zeer in strijd komt met het ongeschreven recht, dat toepassing van artikel 13, eerste lid, van de CSV geen rechtsplicht meer kan zijn.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 77b, eerste tot en met het vierde lid, van de WAO, zoals dit artikel gold tot 1 januari 2002, heeft de werkgever onder bepaalde voorwaarden recht op korting op, of vrijstelling van, de basispremie WAO.

5.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de CSV geschiedt de vaststelling van de door de werkgever verschuldigde premie, alsmede de invordering daarvan, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

5.3. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de CSV wordt premie niet meer vastgesteld indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is geworden, zijn verstreken.

5.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient een besluit tot premievaststelling in het kader van artikel 77b van de WAO aangemerkt te worden als een besluit tot premievaststelling in de zin van artikel 11, eerste lid, van de CSV, waarbij artikel 13, eerste lid, van de CSV leidend is.

5.5. Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv, door alsnog bij besluiten van 14 december 2007 nader (WAO-)premie vast te stellen over de jaren 2000 en 2001, de in artikel 13, eerste lid, van de CSV genoemde termijn van vijf jaren heeft overschreden.

5.6. De Raad kan zich niet verenigen met het door de rechtbank gemaakte onderscheid tussen de premiejaren 2000 en 2001, in die zin dat de toekenning over het jaar 2000 was gebaseerd op buitenwettelijk begunstigend beleid en dat de toegekende korting en vrijstelling om die reden aan de toepassing van artikel 13, eerste lid, van de CSV zouden zijn onttrokken. De door de rechtbank bedoelde omstandigheid doet er niet aan af dat de bevoegdheid tot het (alsnog) vaststellen van korting op, of vrijstelling van, de premie aan artikel 11, eerste lid, van de CSV wordt ontleend. De onder 5.4 omschreven vaste rechtspraak is derhalve op de korting en vrijstelling over het premiejaar 2000 onverkort van toepassing.

5.7. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv - voor beide premiejaren - artikel 13, eerste lid, van de CSV buiten toepassing heeft mogen laten. In dit verband heeft het Uwv aangevoerd dat toepassing van dit artikellid geen rechtsplicht meer kon zijn vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval, zeker in onderling verband bezien. Die omstandigheden bestaan vooral hierin dat ten onrechte en tot een te hoog bedrag korting en vrijstelling is toegekend, dat dit het gevolg is van het onbevoegd en strafrechtelijk laakbaar misbruik van computersystemen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (door een oud-medewerker van het Uwv), dat appellante - als zij slechts een marginale toets zou hebben uitgevoerd in de eigen administratie - had kunnen en moeten begrijpen dat een volledige honorering van de aanvraag van 8 december 2006 niet juist kon zijn, en dat bovendien - doordat de aanvragen zijn ingediend tegen het einde van de verjaringstermijn van de CSV - het Uwv een herstelmogelijkheid is ontnomen omdat de wetgever de onderhavige situatie niet heeft onderkend.

5.8. Nog daargelaten of het op grond van bijzondere omstandigheden mogelijk is om af te wijken van de in artikel 13, eerste lid, van de CSV genoemde termijn van vijf jaren, is de Raad van oordeel dat de door het Uwv genoemde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, in ieder geval niet als zodanig zijn aan te merken. Alhoewel appellante wellicht vraagtekens had kunnen zetten bij de gang van zaken rond de aanvraag en toekenning van de korting en vrijstelling in 2006, is de Raad van oordeel dat de in 2006 ontstane situatie bij het Uwv in (zeer) overwegende mate aan het Uwv is toe te rekenen en daarom volledig voor diens rekening en risico dient te komen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bedrijfsvoering bij de (in verband met de overgang naar de Belastingdienst in een afbouwfase verkerende) afdeling Polis en Premie te Eindhoven kennelijk ruimte bood voor een situatie waarin (in ieder geval deels) onjuiste aanvragen korting en vrijstelling zonder controle konden worden gehonoreerd. De Raad concludeert dan ook dat het Uwv in 2007 niet bevoegd was om nader premie vast te stellen over de jaren 2000 en 2001.

5.9. Hieruit volgt dat het hoger beroep van het Uwv faalt, en dat het hoger beroep van appellante slaagt. Dit heeft tot gevolg dat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 23 mei 2008 ten aanzien van het premiejaar 2000 in stand zijn gelaten. De Raad ziet voorts aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 14 december 2007 inzake het premiejaar 2000 te herroepen, nu dit berust op dezelfde onhoudbare grondslag als het besluit van 23 mei 2008.

6. De Raad acht tot slot termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 23 mei 2008 ten aanzien van het premiejaar 2000 in stand zijn gelaten;

Herroept het primaire besluit van 14 december 2007 inzake het premiejaar 2000;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,--; Bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 447,-- vergoedt;

Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 447,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) B.E. Giesen.

IJ