Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
14-12-2009
Zaaknummer
08/331 WAO en 08/333 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling en terugbetaling WAO-uitkering. Geen terugkeer appellante naar het publieke bestel. De Raad onderschrijft eveneens het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit 2. Vaststaat dat appellante als eigen risicodrager de uitkering aan de werknemer moest uitbetalen. Vaststaat voorts dat zij dat niet heeft gedaan. Hieruit volgt dat het Uwv op grond van artikel 75a, vierde lid, tweede volzin, van de WAO, verplicht was de uitkering aan de werknemer te betalen en deze te verhalen op appellante. Daarbij gaat het om bepalingen van dwingend recht, waarvan in beginsel niet kan worden afgeweken. Zoals de Raad vaker heeft overwogen zijn er echter bijzondere omstandigheden denkbaar waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/331 WAO en 08/333 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 december 2007, 06/4206 en 06/4207 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft I.M.H. Merks-Metz, werkzaam bij Merks Advies in Sociale Verzekering B.V. te Son, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2009. Namens appellante is verschenen [naam directeur], directeur, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. [naam werknemer] (hierna: de werknemer) is van 16 augustus 1999 tot 15 augustus 2000 bij appellante in dienst geweest. Op 7 augustus 2000 is de werknemer voor dit werk uitgevallen. Bij besluit van 26 juli 2001 is - in aansluiting op de destijds geldende wettelijke wachttijd van 52 weken - door een rechtsvoorganger van het Uwv aan de werknemer met ingang van 6 augustus 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan appellante is een afschrift van dat besluit toegezonden.

1.2. Bij brief van 19 oktober 2005 heeft het Uwv appellante een vooraankondiging gedaan over de met ingang van 1 juli 2004, toen appellante eigen risicodrager voor de WAO werd, bestaande betalingsverplichting inzake de vanaf die datum door hem voorgeschoten WAO-uitkering. In reactie hierop stelde appellante onder meer dat zij de vooraankondiging in het geheel niet heeft begrepen en verzocht zij om met terugwerkende kracht tot 1 juli 2004 terug te keren naar het publieke bestel.

1.3. Bij besluit van 20 april 2006 (hierna: het toerekeningsbesluit) heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat zij per 1 juli 2004 eigen risicodrager voor de WAO is geworden en op grond van artikel 75a van de WAO de WAO-uitkering van de werknemer moet betalen zolang deze nog geen vijf jaar heeft geduurd. Tevens is medegedeeld dat het Uwv de WAO-uitkering aan de werknemer als voorschot heeft uitbetaald en daarom voornemens is de uitkering op appellante te verhalen over de periode van 1 juli 2004 tot 16 augustus 2006.

1.4. Namens appellante is tegen het toerekeningsbesluit bezwaar gemaakt. Samengevat is door haar aangevoerd dat het Uwv in de gegeven omstandigheden heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook heeft appellante aangevoerd dat zij de Pemba-wetgeving niet goed heeft begrepen, waardoor zij nu met de nadelige gevolgen wordt geconfronteerd en in financiële problemen is gekomen. Ten slotte heeft appellante zich afgevraagd waarom zij niet terug mag keren naar het publieke bestel, zoals eerder door haar verzocht.

1.5. Bij besluit van 10 juli 2006 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is tevens opgemerkt dat appellante niet voldoet aan het zogenaamde 10%-criterium om terug te mogen keren naar het publieke bestel en dat de financiële positie van appellante daaraan niet afdoet.

1.6. Bij besluit van 16 juni 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante de aan de werknemer betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 juli 2004 tot 1 januari 2006 ten bedrage van € 35.680,63 dient terug te betalen (hierna: het verhaalsbesluit).

1.7. Ook tegen dit besluit is namens appellante bezwaar gemaakt. De gronden van bezwaar zijn dezelfde als die tegen het toerekeningsbesluit.

1.8. Bij besluit van 10 juli 2006 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv ook dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante de in bezwaar en beroep tegen de bestreden besluiten voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2006 (LJN AZ0127) heeft de Raad, anders dan voordien, de mededeling op grond van artikel 75a, vierde lid, eerste volzin van de WAO aan de werkgever omtrent zijn betalingsverplichting als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt. Het feit dat volgens deze uitspraak de beoordeling van de vraag of bij het betalingsbesluit is voldaan aan de in artikel 75a, eerste tot en met derde lid, van de WAO gestelde voorwaarden, in de regel een beperkte strekking heeft, maakt reeds dat het in die beoordeling betrekken van feiten en omstandigheden die geen verband houden met deze uit hun aard op zichzelf te beschouwen voorwaarden niet in beeld komt. Toegepast op dit hoger beroep betekent dit dat de volgens appellante bij het nemen van het bestreden besluit 1 opgetreden schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur - in lijn met de uitspraak van 10 oktober 2006 - eerst bij de toetsing van een verhaalsbesluit aan de orde kan komen.

4.2. Met betrekking tot bestreden besluit 1 staat vast dat de werknemer op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag tot appellante in dienstbetrekking stond en dat de werknemer de wettelijke wachttijd van destijds 52 weken heeft doorgemaakt, zodat is voldaan aan de vereisten van artikel 75, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO. Voorts is niet gebleken dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het nemen van een toerekeningsbesluit.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over het buiten beschouwing laten van de grief en het verzoek van appellante om te mogen terugkeren naar het publieke bestel. De Raad is tevens van oordeel dat, gelet op de bewoordingen van bestreden besluit 1, daarin tevens een weigering is opgenomen om toepassing te geven aan het terugkeerbeleid en dat die weigering in zoverre moet worden opgevat als een primair besluit waartegen appellante bezwaar kan maken. De Raad is van oordeel dat het bij de rechtbank ingediende beroepschrift van appellante, in zoverre daarin gronden worden aangevoerd tegen het niet toepassen van het terugkeerbeleid, moet worden aangemerkt als bezwaarschrift. Onder toepassing van artikel 6:15 van de Awb, dat ingevolge artikel 6:24 van die wet in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, dient het bij de rechtbank ingediende beroepschrift, dat zich bevindt onder de bij de Raad aanwezige gedingstukken, te worden doorgezonden aan het Uwv ten einde te worden behandeld als bezwaarschrift.

5. De Raad onderschrijft eveneens het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit 2. Vaststaat dat appellante als eigen risicodrager de uitkering aan de werknemer moest uitbetalen. Vaststaat voorts dat zij dat niet heeft gedaan. Hieruit volgt dat het Uwv op grond van artikel 75a, vierde lid, tweede volzin, van de WAO, verplicht was de uitkering aan de werknemer te betalen en deze te verhalen op appellante. Daarbij gaat het om bepalingen van dwingend recht, waarvan in beginsel niet kan worden afgeweken. Zoals de Raad vaker heeft overwogen zijn er echter bijzondere omstandigheden denkbaar waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Hetgeen door appellante is aangevoerd is echter geen reden om aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat destijds aan appellante een afschrift van het WAO-toekenningsbesluit is gezonden. Voorts had appellante in het kader van haar besluitvorming omtrent het aanvragen van het eigen risicodragerschap een eigen onderzoeksplicht. Appellante had bijvoorbeeld ook zelf bij het Uwv informatie kunnen inwinnen omtrent lopende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Het enkele tijdsverloop tussen de ingangsdatum van het eigen risicodragerschap (1 juli 2004) en de zogeheten vooraankondiging van 19 oktober 2005 leidt niet tot een ander oordeel.

6. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 5 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R. Kruisdijk en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2009.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) A.E. van Rooij.

JL