Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
08-6606 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering (verdere) uitkering van ziekengeld. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ongeschiktheid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van zijn arbeid. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte arbeid, in casu het aangepaste werk van systeembeheerder. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op die regel. De Raad ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van dit beginsel. De Raad kent evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de psychiater Kazemier. De Raad ziet geen aanleiding om de conclusies van de deskundige Kazemier en de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep voor onjuist te houden, nu appellant met betrekking tot zijn psychische klachten geen nadere medische informatie naar voren heeft gebracht die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding, te weten 2 november 2005. Met betrekking tot de lichamelijke beperkingen van appellant overweegt de Raad dat hij in de gedingstukken, waaronder de medische informatie van de behandelend sector, geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden dat het Uwv deze heeft onderschat. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts een juist beeld heeft gehad van de aard en de zwaarte van het werk van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6606 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 oktober 2008, kenmerk 07/971 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.N. Westmaas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als systeembeheerder bij [naam werkgever] toen hij op 25 oktober 2004 uitviel wegens diverse lichamelijke klachten en psychische klachten. Het dienstverband tussen appellant en zijn werkgever is per 2 maart 2005 beëindigd, waarna appellant zich tot het Uwv heeft gewend met een verzoek om een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.2. Appellant is op 1 november 2005 gezien door de arts P.C. Lafeber, die hem na onderzoek met ingang van 2 november 2005 hersteld verklaarde. Bij besluit van

7 november 2005 heeft het Uwv per 2 november 2005 (verdere) uitkering van ziekengeld geweigerd. Bij besluit van 27 december 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 november 2005, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige J.W. van Zijl en de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe van respectievelijk 20 december 2005 en 22 december 2005, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 oktober 2006 het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit van 27 december 2005 vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft daarbij tevens bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. Het Uwv heeft op 6 februari 2007 een nieuw besluit op bezwaar (hierna: het bestreden besluit) genomen. Daarbij is het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen mede ten grondslag rapporten van de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 27 oktober 2006, bezwaararbeidsdeskundige Van Zijl van 15 januari 2007 en bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe van 2 februari 2007.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan het op haar verzoek door M. Kazemier, psychiater te Rotterdam, als deskundige op 25 februari 2008 uitgebrachte rapport.

5. De stellingen van appellant in hoger beroep vormen in grote lijnen een herhaling van hetgeen in beroep is betoogd. Appellant benadrukt dat de deskundige Kazemier heeft gesteld dat er op 2 november 2005 sprake was van stoornissen op lichamelijk en geestelijk functioneren. Voorts is ten onrechte niet gekeken naar de ziektebeelden tezamen en het medicijngebruik. Appellant blijft van mening dat het eigen werk veel zwaarder was en de aangepaste taken overbelastend waren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere medische stukken ingebracht.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

6.3. Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ongeschiktheid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van zijn arbeid. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte arbeid, in casu het aangepaste werk van systeembeheerder.

6.4. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die nopen tot het aanvaarden van een uitzondering op die regel.

6.5. De Raad ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van dit beginsel. De Raad kent evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de psychiater Kazemier. De deskundige is na eigen onderzoek, kennisname van de in het dossier aanwezige medische gegevens, en de door hem ontvangen informatie van de huisarts H.A.H. Staring van 12 februari 2008 en de klinisch psycholoog drs. J.H.M. van den Elshout van 5 februari 2008, met daarbij een verslag van 17 juli 2007, tot de conclusie gekomen dat op de datum in geding sprake was van een aanpassingsstoornis in gemengd emotionele zin. Volgens de deskundige is er geen psychiatrische reden op grond waarvan moet worden aangenomen dat appellant op 2 november 2005 niet in staat was het eigen werk te doen, mits het werk niet aan toenemende veranderingen onderhevig was en qua takenpakket niet zodanig overbelast dat gevaar voor surmenage ontstaat. Ten aanzien van gestelde voorwaarden waaraan het werk van appellant moet voldoen verwijst de Raad naar het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep, zoals vermeld in zijn rapport van 9 april 2008.

6.6. De Raad ziet geen aanleiding om de conclusies van de deskundige Kazemier en de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep voor onjuist te houden, nu appellant met betrekking tot zijn psychische klachten geen nadere medische informatie naar voren heeft gebracht die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding, te weten 2 november 2005.

6.7. Met betrekking tot de lichamelijke beperkingen van appellant overweegt de Raad dat hij in de gedingstukken, waaronder de medische informatie van de behandelend sector, geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden dat het Uwv deze heeft onderschat. Ook de door appellant kort voor de zitting ingezonden medische informatie, van onder andere reumatoloog A.H. Gerards, neuroloog J.J.M. Driessen en orthopedisch chirurg F.J.A. Schild, geeft de Raad geen aanleiding aan de conclusies van de betrokken bezwaarverzekeringsartsen te twijfelen. De Raad onderschrijft in dit verband het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep, zoals vermeld in zijn rapport van 22 oktober 2009. De Raad merkt daarbij op dat voornoemde informatie niet ziet op de datum in geding.

6.8. Ten aanzien van de maatstaf arbeid merkt de Raad nog op dat de arbeidsdeskundige Van Zijl op 7 januari 2007 de werkplek van appellant bij [naam werkgever] heeft bezocht en hiervan in een rapport van 15 januari 2007 verslag heeft gedaan. Op grond van dit rapport zag de bezwaarverzekeringsarts Van de Merwe geen aanleiding tot een ander oordeel te komen omtrent de geschiktheid van appellant voor zijn aangepaste werk als systeembeheerder, zoals omschreven in de brief van de (ex) werkgever van

26 augustus 2004. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts een juist beeld heeft gehad van de aard en de zwaarte van het werk van appellant.

6.9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

JL