Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
08-5464 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nihilstelling WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid. In hoger beroep is uitsluitend aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het beroep op het vertrouwensbeginsel niet heeft aanvaard. De ter zitting namens appellante naar voren gebrachte grond over de inhoudelijke onjuistheid van het bestreden besluit moet als tardief moet worden aangemerkt. Beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Uitsluitend opgave gedaan van de zeer bescheiden inkomsten uit regressie-reïncarnatietherapie praktijk. Het moet appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat het Uwv diende te beschikken over alle inkomensgegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5464 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 augustus 2008, 07/2674 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Voor appellante is verschenen mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.J.A. Jennekens.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft over de jaren 2003, 2004 en 2005 een uitkering ontvangen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %. Bij besluit van 27 april 2007 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat de aan haar toegekende WAO-uitkering over 2003 wordt gehandhaafd en dat de WAO-uitkering over de jaren 2004 en 2005 op nihil wordt gesteld in verband met inkomsten uit arbeid. Daarbij is rekening gehouden met inkomsten van appellante uit arbeid in een maatschap met haar echtgenoot, de Maatschap [naam maatschap], en die uit haar eigen eenmanszaak, een regressie-reïncarnatietherapie praktijk. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 september 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit is gebaseerd op de stelling dat het Uwv, door appellantes WAO-uitkering over 2005 op nihil te stellen, het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

3. De rechtbank heeft voorop gesteld dat het beroep zich niet richt tegen het op nihil stellen van de uitbetaling van de WAO-uitkering van appellante over het jaar 2004. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante naast haar WAO-uitkering in 2005 inkomsten uit arbeid heeft genoten en dat de hoogte van die inkomsten, te weten € 58.706,--, evenmin in geschil is. Gezien de door appellante aangevoerde beroepsgrond heeft de rechtbank uitsluitend de vraag beantwoord of het Uwv terecht heeft besloten de uitbetaling van de WAO-uitkering van appellante over het jaar 2005 op nihil te stellen in verband met inkomsten uit arbeid. Die vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord en zij heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. Appellante heeft in haar hoger beroepschrift uitsluitend aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het beroep dat zij heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel niet heeft aanvaard. Gelijk aan hetgeen zij in eerste aanleg heeft betoogd, heeft zij naar voren gebracht dat het bestreden besluit is genomen in strijd met dit beginsel nu het Uwv in een brief van 20 mei 2006 aan appellante heeft meegedeeld dat haar neveninkomsten geen invloed hebben op de hoogte van haar WAO-uitkering. Dit is een ondubbelzinnige en duidelijke mededeling, gedaan door een beslissingsbevoegde, aldus appellante. Zij mocht er daarom redelijkerwijs op vertrouwen dat haar inkomsten geen effect op haar arbeidsongeschiktheidsuitkering zouden hebben.

4.2. Ter zitting is namens appellante, ten betoge dat het bestreden besluit ook inhoudelijk onjuist is, voorts aangevoerd dat de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in 2005, waarvan in dat besluit wordt uitgegaan, gebaseerd is op de inkomsten van appellante in het kalenderjaar 2005. Dit leidt volgens appellante tot een onjuiste uitkomst omdat het boekjaar loopt van 1 mei 2004 tot 1 mei 2005 en zij vanaf 1 mei 2005 geen activiteiten meer heeft ontplooid in de maatschap.

4.3. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat de ter zitting namens appellante naar voren gebrachte grond over de inhoudelijke onjuistheid van het bestreden besluit, als onder 4.2 weergegeven, gehoord ook hetgeen daarover namens het Uwv is aangevoerd, als tardief moet worden aangemerkt. Dit heeft tot gevolg dat de beginselen van een goede procesorde zich verzetten tegen beoordeling daarvan. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat deze grond, waarvan de juistheid niet zonder nader onderzoek kan worden beoordeeld, in een eerder stadium naar voren had kunnen worden gebracht. De omvang van het geding in hoger beroep is derhalve beperkt tot appellantes stelling dat de rechtbank haar beroep op schending door het Uwv van het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft verworpen.

5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat vaststaat dat ten tijde van de brief van 20 mei 2006 niet alle inkomensgegevens van appellante over 2005 bekend waren bij het Uwv. De brief van 20 mei 2006 is geschreven naar aanleiding van de brief van appellante van 5 april 2006, waarin zij uitsluitend opgave doet van de zeer bescheiden inkomsten uit haar regressie-reïncarnatietherapie praktijk. Naast deze inkomsten diende echter rekening te worden gehouden met de veel hogere inkomsten die appellante uit de Maatschap [naam maatschap] heeft ontvangen. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het reeds op grond hiervan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat het Uwv op 20 mei 2006 geen beslissing kon nemen over de eventuele invloed van haar totale inkomsten in 2005 op haar WAO-uitkering. Appellante had ook naar het oordeel van de Raad in redelijkheid kunnen en moeten begrijpen dat het Uwv daarvoor over alle inkomensgegevens over 2005 moest beschikken. Aan de genoemde brief van het Uwv kon appellante dan ook niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat het Uwv niet zou overgaan tot het op nihil stellen van de uitbetaling van haar WAO-uitkering. De stelling van appellante dat het Uwv wist dat niet alle gegevens op dat moment bekend waren en toch die brief heeft gestuurd, kan aan het voorgaande niet afdoen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van 20 mei 2006 moet worden gezien als reactie op de tot haar eigen praktijk beperkte inkomensgegevens die appellante in haar brief van 5 april 2006 heeft verschaft.

5.3. Gezien hetgeen is overwogen in 5.1 en 5.2 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.

(get.) H. Bolt

(get.) I.R.A. van Raaij.

IvR