Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
08-4538 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking Wajong-uitkering. De Raad stelt vast dat tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 september 2006 geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Bij die uitspraak is het besluit op bezwaar tegen de intrekking van de Wajong-uitkering per 5 oktober 2005 vernietigd en zijn tevens de rechtsgevolgen van dat besluit, inhoudende dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is, in stand gelaten. Daarmee is het besluit tot intrekking van de Wajong-uitkering rechtens onaantastbaar geworden en is komen vast te staan dat appellant per 5 oktober 2005 niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Naar het oordeel van de Raad is de aanvraag van 1 februari 2007 terecht - naar analogie - aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb nu deze aanvraag geacht moet worden te zien op de verstrekking van een Wajong-uitkering per 5 oktober 2005. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, alsmede de overwegingen waarop dit oordeel berust. De Raad stelt vast dat appellant in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 22 september 2006 geen relevante informatie heeft ingebracht in verband met een beperking die zou voortvloeien uit een visusprobleem. Niet is gebleken dat appellant de gestelde visusproblematiek niet eerder naar voren heeft kunnen brengen. Geen grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid tot het besluit van 13 september 2007 heeft kunnen komen, dan wel bij het nemen van dat besluit anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4538 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 18 juni 2008, 07/861 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009 waar appellant en zijn advocaat zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Metus.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 augustus 2005 heeft het Uwv de aan appellant verleende uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) per 5 oktober 2005 ingetrokken, omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.2. In zijn aanvraag om uitkering ingevolge de Wajong van 1 februari 2007 heeft appellant als eerste ziektedag vermeld “oktober 1995”. Aangezien appellant reeds over de periode van 20 mei 1997 tot 5 oktober 2005 een Wajong-uitkering had ontvangen, is deze aanvraag door het Uwv opgevat als een verzoek om herziening van het intrekkingsbesluit van 4 augustus 2005. Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van dit besluit tot intrekking van de Wajong-uitkering en het daartegen gerichte bezwaar is bij besluit van 13 september 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan - zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 - de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.2. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad (zie bijvoorbeeld LJN BD1880 en BK2103) is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zodanig geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot het antwoord op de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is met de aanvraag van 1 februari 2007 sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Dat een visusproblematiek bestaat en dat bij besluit van 5 januari 2007 aan appellant een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) is toegekend door de Centrale organisatie werk en inkomen (Cwi), levert geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op.

4. Appellant heeft in hoger beroep gewezen op zijn brief aan de rechtbank van 1 november 2007 waarin is aangevoerd dat hij een beoordeling voor een indicatie op grond van de Wsw heeft gehad. Ook in zijn aanvraag van 1 februari 2007 had hij reeds melding gemaakt van zijn Wsw-indicatie. Uit die beoordeling blijkt volgens appellant dat hij een ernstige visusproblematiek heeft. Sedert het ongeval in 1995 - zo heeft de huisarts in zijn brief aan de bezwaarverzekeringsarts van 28 augustus 2007 gesteld - heeft appellant een hemianopsie rechts. Hoewel de klacht volgens appellant aanwezig is geweest sinds het ongeval (de vechtpartij) op 7 november 1995, is deze eerst in 2005voor hem duidelijk naar voren gekomen toen hij bijna onder een tram is gekomen.

5.1. De Raad stelt vast dat tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 september 2006 geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Bij die uitspraak is het besluit op bezwaar tegen de intrekking van de Wajong-uitkering per 5 oktober 2005 vernietigd en zijn tevens de rechtsgevolgen van dat besluit, inhoudende dat het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is, in stand gelaten. Daarmee is het besluit tot intrekking van de Wajong-uitkering rechtens onaantastbaar geworden en is komen vast te staan dat appellant per 5 oktober 2005 niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.

5.2. Naar het oordeel van de Raad is de aanvraag van 1 februari 2007 terecht - naar analogie - aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb nu deze aanvraag geacht moet worden te zien op de verstrekking van een Wajong-uitkering per 5 oktober 2005.

5.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, alsmede de overwegingen waarop dit oordeel berust. De Raad stelt vast dat appellant in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 22 september 2006 geen relevante informatie heeft ingebracht in verband met een beperking die zou voortvloeien uit een visusprobleem. Op basis van de destijds beschikbare gegevens, die mede werden verkregen na onderzoek door een verzekeringsarts, was er toen voor het Uwv geen aanleiding voor nader onderzoek op dat punt. De Raad is van oordeel dat de grief van appellant dat dit laatste wel had dienen plaats te vinden, aan de orde had moeten worden gesteld in het kader van het besluit tot intrekking van de Wajong-uitkering. Dit is echter niet gebeurd en appellant is te laat geweest met het indienen van zijn bezwaarschrift tegen dat intrekkingsbesluit. Van een nieuw medisch feit dat betrekking heeft op 5 oktober 2005 is geen sprake en onbekendheid bij het Uwv met de visusproblematiek ten tijde van de intrekking van de Wajong-uitkering maakt dit in het onderhavige geval niet anders. Niet is gebleken dat appellant de gestelde visusproblematiek niet eerder naar voren heeft kunnen brengen.

5.4. In zijn aanvraag om een Wajong-uitkering van 1 februari 2007 heeft appellant bij de vraag welke algemene klachten of belemmeringen hij heeft door zijn ziekte of letsel geantwoord: “Ten gevolge van hersenletsel last van verlammingsverschijnselen aan rechterbeen/hand-functie. Kan niet langdurig staan en lopen. Problemen met mijn concentratievermogen en mijn korte termijn geheugen.” Een vermelding van visusproblemen ontbreekt daar. Bij de vraag of er bijzonderheden zijn, heeft appellant toen gewezen op de Wsw-indicatie. De omstandigheid dat in januari 2007 bij een beoordeling op grond van de Wsw kennelijk de op dat moment bestaande mate van visusproblemen van belang is geacht betekent niet, reeds vanwege het tijdsverloop, dat in relatie tot de hier relevante datum 5 oktober 2005 gesproken moet worden van een nieuw feit. In dit kader verdient voorts aandacht dat in het adviesrapport aan het Cwi van 4 januari 2007 met betrekking tot de visusbeperking slechts is vermeld dat appellant ongeschikt is voor het besturen van voertuigen en dat uit het rapport tevens blijkt dat bij de aanvraag om een Wsw-indicatie niet als reden daarvoor is genoemd de visusbeperking. Tevens merkt de Raad op dat in het aanvullend bezwaarschrift van 2 juli 2007 is vermeld dat er sprake is van “tal van feiten, die begin 2007 pas zijn gebleken en vastgesteld”, kennelijk is hiermee ook de visusproblematiek bedoeld. Van een visusbeperking die als ernstig dient te worden gekwalificeerd is voorts - anders dan appellant in hoger beroep heeft aangevoerd - uit de stukken die betrekking hebben op de Wsw-indicatie niet gebleken. De Raad ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts - zoals appellant stelt - overleg had dienen te plegen met de arts van de Arbo-unie die het Cwi op 4 januari 2007 heeft geadviseerd. Hierbij merkt de Raad nog op dat de criteria bij een beoordeling voor een Wsw-indicatie niet dezelfde zijn als die bij een beoordeling ingevolge de Wajong en wijst in dit verband naar de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Raad van 15 februari 2005, LJN AS8358, die betrekking heeft op de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Indien er sprake is van een situatie waarin na de relevante datum alsnog een nieuwe, duidelijkere diagnose (etiket) wordt verbonden aan reeds eerder bestaande klachten, dan levert dit op zich geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid op. De Raad wijst in dit verband naar de uitspraken van 11 september 2007 en 14 november 2007, LJN BB3453, respectievelijk BB8509. Wat betreft appellant dient hieraan te worden toegevoegd dat hij de visusproblematiek niet eerder dan in het kader van zijn aanvraag van 1 februari 2007 aan het Uwv kenbaar heeft gemaakt en voordien ook geen indicatie heeft gegeven voor beperkingen die verband houden met deze problematiek. Eerst naar aanleiding van het verzoek om informatie dat het Uwv in het kader van de onderhavige bezwaarprocedure aan de huisarts heeft gericht, heeft deze arts op 28 augustus 2007 bericht dat appellant sedert het ongeval een hemianopsie rechts heeft. Nadere informatie uit de behandelend sector heeft appellant niet verstrekt.

5.5. Uitgaande van het vorenstaande onder 5.2, 5.3 en 5.4 ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid tot het besluit van 13 september 2007 heeft kunnen komen, dan wel bij het nemen van dat besluit anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5.6. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR