Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
08-2019 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen strijd met artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM (LJN BD8561). Geen twijfel aan de uitkomst van het door de bezwaarverzekeringsarts uitgevoerde medische onderzoek. Schatting berust uiteindelijk op een aantal in de primaire fase voorgehouden functies. De bezwaararbeidsdeskundige heeft deze functies met inachtneming van de FML beoordeeld, de mediane loonwaarde gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd berekend op 15 tot 25%. Geen reformatio in peius. Het Uwv kan een op zichzelf juist besluit van een nadere motivering kan voorzien, nadat tegen dat besluit beroep is ingesteld (LJN BK0556). Beperking op het aspect staan. Voldoende motivering dat de belasting in functie van inpakker niet leidt tot een overschrijding van de belastbaarheid. In de systematiek van het CBBS wordt de tijdsduur niet absoluut maar met ‘ongeveer’ weergegeven. Nu het een ‘absolute’ overschrijding betreft die minder is dan 10% van de totale duur is de functie van parkeercontroleur geschikt te achten, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Gelet op de zeer geringe overschrijding van de belastbaarheid, acht de Raad deze toelichting voldoende overtuigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2019 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 februari 2008, 07/654 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Namens appellante is verschenen R.T. van Baarlen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante voorheen werkzaam als filiaalmanager van een kledingzaak is voor dit werk in 1994 uitgevallen met enkelklachten. Aan appellante is, na het doorlopen van de wettelijke wachttijd, met ingang van 21 februari 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 april 2006 (05/1011) heeft het Uwv bij besluit van 19 juni 2006 bepaald dat de WAO-uitkering van appellante per 12 december 2004 wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellante is vervolgens in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 herbeoordeeld, in welk verband zij op 26 juli 2006 is onderzocht door de verzekeringsarts S.S. Audhoe. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met haar beperkingen, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 juli 2006. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M. Arts op 12 oktober 2006 een rapport uitgebracht. In dit rapport is zij tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt kan worden geacht voor functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) zijn verkregen. Op basis van drie van deze functies heeft de arbeidsdeskundige het verlies aan verdiencapaciteit van appellante berekend op 21,85%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 13 december 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 27 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante, na een heroverweging op basis van de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon en de bezwaararbeidsdeskundige

T.C.W.J. Stokking, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met dien verstande dat naar het oordeel van de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand dienen te worden gelaten.

3. Appellante heeft in hoger beroep gevorderd de aangevallen uitspraak te vernietigen, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Daartoe heeft appellante – onder verwijzing naar de gronden in beroep – aangevoerd dat de belastbaarheid van appellante in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies op het aspect ‘staan’ wordt overschreden en dat ten onrechte een tweede medische keuring is uitgevoerd die enkel is gericht op eigendomsontneming en in zoverre in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol (EP), behorende bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ten slotte heeft appellante betoogd dat het Uwv in strijd heeft gehandeld met het zogeheten verbod van reformatio in peius door het bij de schatting gehanteerde mediane uurloon in beroep bij te stellen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De grief van appellante dat het Uwv met de onderhavige herbeoordeling in strijd heeft gehandeld met artikel 1 van het EP behorende bij het EVRM, kan de Raad niet volgen. Daartoe overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 10 juli 2008 (LJN BD8561), dat een (her)beoordeling gebaseerd op het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 niet in strijd komt met artikel 1 van het EP behorende bij het EVRM, tenzij de herbeoordeling leidt tot een ‘individual and excessive burden’. Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat de onderhavige herbeoordeling voor appellante leidt tot een ‘individual and excessive burden’ is de Raad niet gebleken. Daarbij tekent de Raad aan dat het Uwv op grond van het bepaalde in artikel 23 van de WAO, te allen tijde de verzekerde kan oproepen voor een onderzoek. De enkele – niet met (medische) stukken onderbouwde – opmerking dat appellante door de herhaalde beoordeling in psychische en financiële problemen is geraakt, acht de Raad, in het licht van het bovenstaande, onvoldoende.

4.3. De Raad overweegt dat hij in het hoger beroep van appellante geen aanknopingspunten heeft gezien voor twijfel aan de uitkomst van het door de bezwaarverzekeringsarts uitgevoerde medische onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. De Raad verenigt zich met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen, welke overwegingen de Raad tot de zijne maakt.

4.4. Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende.

4.5. De Raad stelt vast dat de schatting – zoals blijkt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Eggink van 26 april 2006 (lees: 2007) – uiteindelijk berust op de reeds in de primaire fase voorgehouden functies inpakker (sbc-code 111190), parkeercontroleur (sbc-code 342022) en elektronica monteur (sbc-code 267040). Eggink heeft deze functies met inachtneming van de FML van 26 juli 2006 beoordeeld, de mediane loonwaarde gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 15 tot 25%.

4.6. Het beroep op strijd met het verbod van reformatio in peius kan, gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen, geen doel treffen. De mate van arbeidsongeschiktheid is door het bijgestelde mediane uurloon immers niet gewijzigd en 15 tot 25% gebleven. Daarbij merkt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 16 oktober 2009 (LJN BK0556), nog op dat het Uwv een op zichzelf juist besluit van een nadere motivering kan voorzien, nadat tegen dat besluit beroep is ingesteld.

4.7. Blijkens de FML van 26 juli 2006 wordt appellante – onder meer – beperkt geacht op het aspect ‘staan’, in die zin dat zij ongeveer een kwartier achtereen en, zonodig gedurende een beperkt deel van de werkdag kan staan (ongeveer één uur). In het zogeheten Resultaat functiebeoordeling van 26 april 2007 wordt betreffende de functieomschrijving van inpakker (sbc-code 111190) ten aanzien van het aspect ‘staan’ vermeld dat daarvan dagelijks sprake is gedurende niet meer dan ongeveer twee uren: tijdens acht werkuren drie maal ongeveer vijf minuten achtereen met daarbij de opmerking: “kan naar believen zitten”. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daarvan gesteld dat dit aspect met de verzekeringsarts is besproken en dat de functie voor appellante geschikt is te achten aangezien er in de functie naar believen kan worden gezeten. De Raad is van oordeel dat met deze motivering voldoende is aangetoond waarom de belasting in deze functie niet leidt tot een overschrijding van de belastbaarheid van appellante. De keuze om naar believen te kunnen gaan zitten brengt onmiskenbaar met zich mee dat daardoor de totale belasting op het aspect ‘staan’ in de functie afneemt. Daarbij merkt de Raad op dat de desbetreffende keuzemogelijkheid, zoals ook is aangegeven door de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Eekhoudt in de aanvullende rapportage van 10 augustus 2009, nadrukkelijk in de functieomschrijving is beschreven. Van een vergelijkbare situatie met de door appellante in dit verband aangehaalde uitspraak van de Raad van 20 februari 2009 (LJN BH3782) is dan ook geen sprake.

4.8. Blijkens het Resultaat functiebeoordeling komt in de functie van parkeercontroleur (sbc-code 342022) een totale belasting voor van drieënzestig minuten per werkdag op het aspect ‘staan’. Zoals onder 4.7 is aangegeven kan appellante ongeveer één uur per werkdag staan. De bezwaarverzekeringsarts Eggink heeft met betrekking tot dit aspect aangegeven dat in de systematiek van het CBBS de tijdsduur niet absoluut maar met ‘ongeveer’ wordt weergegeven. Nu het een ‘absolute’ overschrijding betreft die minder is dan 10% van de totale duur is de functie derhalve geschikt te achten voor appellante, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Gelet op de zeer geringe overschrijding van de belastbaarheid van appellante, acht de Raad deze toelichting voldoende overtuigend.

4.9. Gelet op het vorenstaande is de Raad – met de rechtbank – van oordeel dat de bezwaararbeidskundige Eggink in de onder 4.5 genoemde rapportage genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellante.

5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.9 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden de WAO-uitkering van appellante met ingang van 13 december 2006 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR