Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
08-5618 WAO + 09-2327 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Herziening WAO-uitkering per 29 januari 2007. 2) Ongewijzigde vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2007. 1) Voldoende medische grondslag. Geen sprake van overschrijding belastbaarheid bij het aspect geluidsbelasting. 2) Hetgeen in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 is aangevoerd, verschilt in essentie niet van hetgeen tegen de aangevallen uitspraak 1 is aangevoerd. Mede gelet op het geringe tijdsverloop tussen de hier in geding zijnde datum, 22 februari 2007, en 29 januari 2007 komt de Raad in dit geding tot een vergelijkbaar oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5618 WAO + 09/2327 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 27 augustus 2008 (08/429) en 16 maart 2009 (08/2638), (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Scheltes, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009, waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellante en haar gemachtigde zijn, met schriftelijk bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De feiten die in de aangevallen uitspraken zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en zijn ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Bij besluit van 28 november 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die voorheen werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 29 januari 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% bedraagt. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 december 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 29 januari 2007 herzien naar de klasse

van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 14 december 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de WAO met ingang van 22 februari 2007 - ongewijzigd - vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 mei 2008 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij de uitspraak van 27 augustus 2008 (hierna: aangevallen uitspraak 1) heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft omtrent de medische grondslag van dit besluit overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat was gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek en informatie van de behandelende sector, zorgvuldig is geweest. Op de in beroep ingebrachte medische informatie - van psychiater dr. C.G. Kooiman en psychotherapeut drs. W.J.J.M. van Vliet - van het RIAGG van 26 maart 2008 is naar het oordeel van de rechtbank door de bezwaarverzekeringsarts voldoende adequaat gereageerd. Hieruit volgt dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante correct heeft vastgesteld, waarbij de rechtbank niet is gebleken dat appellante niet in staat zou zijn om 40 uur per week in gangbare arbeid werkzaamheden te verrichten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de belasting van de voorgehouden functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Wat betreft de arbeidskundige grief dat appellante beperkt is ten aanzien van fabriekslawaai en dat de werkzaamheden in de functies van monteur (sbc-code 111180), monteuse (267050) en elektronicamonteur (267040) worden uitgevoerd in een grote fabriekshal, heeft de rechtbank verwezen naar het oordeel van de bezwaarverzekerings-arts dat in geen van de voorgehouden functies fabriekslawaai als een belastende factor is aangeduid. Daaraan heeft de rechtbank toegevoegd dat geluid bij het verrichten van de werkzaamheden in de voorgehouden functies niet gelijk gesteld kan worden met lawaai.

2.2. Bij de uitspraak van 16 maart 2009 (hierna: aangevallen uitspraak 2) heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gezien het medische oordeel van het Uwv, dat was gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek, de in het dossier aanwezige informatie en de door appellante verstrekte medische informatie van psychiater Kooiman en psychotherapeut Van Vliet van 26 maart 2008 (genoemd in overweging 2.1), voor onjuist te houden. De rechtbank heeft de vraag of de belasting van de voorgehouden functies de functionele mogelijkheden van appellante overschrijdt ontkennend beantwoord. De rechtbank heeft daarbij wat betreft het aspect geluidsbelasting gewezen op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 december 2007, waarin deze de markeringen bij de voorgehouden functies heeft toegelicht en heeft vastgesteld dat een markering bij het aspect geluidsbelasting niet voorkomt. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 23 april 2008 toegelicht dat in de functies met sbc-code 111180 en 267010 fabriekslawaai niet voorkomt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daaraan in het rapport van 6 augustus 2008 toegevoegd, dat met fabriekslawaai wordt bedoeld het geluid van machines en apparaten en dat daarbij het aantal mensen, dat in de fabriekshal werkt, of het aantal te verwerken producten niet van belang is. Daarmee is volgens de rechtbank afdoende gemotiveerd dat de functies waarop de schatting is gebaseerd de belastbaarheid van appellante bij het aspect geluidsbelasting, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 mei 2006, niet overschrijden. Gelet hierop heeft de rechtbank het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 5 augustus 2008, waarin hij de FML op het aspect geluidsbelasting wijzigt - wat daarvan verder ook zij - buiten beschouwing gelaten.

3.1. Namens appellante is in hoger beroep in beide gedingen naar voren gebracht dat zij zich niet kan verenigen met de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen en dat zij zich niet in staat acht gangbare arbeid te verrichten. Daarbij zijn twee brieven van de behandelend zenuwarts en psychoanalyticus J.H. Scheffer van 2 april 2009 en 14 oktober 2009 in het geding gebracht. Voorts heeft appellante de grief gehandhaafd dat de haar voorgehouden functies haar belastbaarheid bij het aspect geluidsbelasting overschrijden.

3.2. Het Uwv heeft daartegen inhoudelijk verweer gevoerd. Daarbij is een rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.B. van der Heemst van 13 augustus 2009 overgelegd. Voorts heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting de Raad van de (mondelinge) reactie van voornoemde bezwaarverzekeringsarts op het laatstgenoemde schrijven van zenuwarts Scheffer in kennis gesteld.

4. De Raad overweegt het volgende.

08/5618 WAO

5.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om de medische grondslag van het bestreden besluit 1 voor onjuist te houden. De Raad kan zich ook verenigen met de overwegingen van de rechtbank daarover. De door appellante in hoger beroep aangevoerde argumenten zijn geen reden om tot een andere conclusie te komen. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts Van der Heemst de visie van de zenuwarts Scheffer, bij wie appellante pas in augustus 2008 onder behandeling is gekomen, voldoende gemotiveerd heeft weerlegd. De Raad laat daarbij meewegen dat de bezwaarverzekeringsarts zich mede heeft gebaseerd op het oordeel van de psychiater Kooiman en de psychotherapeut Van Vliet van het RIAGG, waar appellante van 2001 tot in 2008 in behandeling is geweest.

5.2. De grief van appellante dat de voorgehouden functies haar belastbaarheid bij het aspect geluidsbelasting overschrijden is een herhaling van hetgeen in beroep is aangevoerd en brengt de Raad niet tot een ander oordeel dan de rechtbank.

5.3. Gelet op het vorenstaande komt aangevallen uitspraak 1 voor bevestiging in aanmerking.

09/2327 WAO

6.1. De Raad stelt vast dat hetgeen in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 is aangevoerd in essentie niet verschilt van hetgeen tegen de aangevallen uitspraak 1 is aangevoerd. Mede gelet op het geringe tijdsverloop tussen de hier in geding zijnde datum, 22 februari 2007, en 29 januari 2007 komt de Raad in dit geding, met verwijzing naar hetgeen in 5.1 en 5.2 is overwogen, tot een vergelijkbaar oordeel.

6.2. Gezien het voorgaande komt aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking.

7. Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

EF