Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
08-5478 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld, omdat appellante niet (meer) wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid. Juiste maatstaf arbeid. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5478 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2008, 07/2005

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. Wittensleger, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een aanvullende rapportage van de bezwaarverzekeringsarts P. van Zalinge van 22 oktober 2008 is overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was van april 2002 tot april 2003 werkzaam als medewerkster postkamer voor 39 uur per week. Sinds 26 juni 2004 was zij receptioniste/telefoniste op oproepbasis. Op 8 januari 2007 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij, in verband met haar werkloosheid als medewerkster postkamer, een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving ziek gemeld met acute rugklachten en onder andere klachten in verband met de toename van haar buikomvang. Vervolgens heeft het Uwv aan appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Nadat appellante op 19 april 2007 door de verzekeringsarts A. Meij is gezien op het spreekuur, heeft deze namens het Uwv bij besluit van 19 april 2007 aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 27 april 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 20 juni 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 april 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Van Zalinge van 19 juni 2007, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van de door de primaire arts en de bezwaarverzekeringsarts voor appellante vastgestelde medische beperkingen, waarbij de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat de onderzoeksmethoden, argumentatie en bevindingen door deze artsen schriftelijk zijn vastgelegd. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat de beoordeling volledig is geweest en zorgvuldig en gemotiveerd tot stand is gekomen, zodat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Het Uwv heeft appellante derhalve naar het oordeel van de rechtbank terecht met ingang van 27 april 2007 geschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid en haar met ingang van die datum niet langer in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de ZW.

3. In hoger beroep is namens appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij reeds in beroep heeft aangevoerd, gesteld dat zij nog steeds volledig arbeidsongeschikt is ten gevolge van diverse lichamelijke en psychische beperkingen. In dat verband heeft zij erop gewezen dat zij bekend was met (onder andere) pijnklachten in de rug met uitstraling naar de benen, alsmede plotselinge gewichtstoename en buikklachten en dat zij onder behandeling staat van haar huisarts, een fysiotherapeut en psychiater.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Appellante heeft zich op 8 januari 2007 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW, welke uitkering zij ontleende aan de door haar verrichte werkzaamheden als medewerkster postkamer. Gedurende dit recht op WW heeft appellante werkzaamheden als receptioniste/telefoniste op oproepbasis verricht, die er slechts toe hebben geleid dat de inkomsten daaruit op de werkloosheidsuitkering zijn gekort. De Raad is dan ook van oordeel dat van de werkzaamheden als medewerkster postkamer als maatstaf arbeid dient te worden uitgegaan.

4.2. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellante op een ZW-uitkering per 27 april 2007 ziet de Raad in de beschikbare medische informatie omtrent appellante onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts Meij en de bezwaarverzekeringsarts Van Zalinge in hun rapportages overtuigend aangegeven dat er geen medisch objectiveerbare afwijkingen aantoonbaar zijn op basis waarvan volledige arbeidsongeschiktheid voor de maatstaf arbeid van appellante te rechtvaardigen is in verband met haar lichamelijke of psychische klachten op de datum in geding. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat bezwaar-verzekeringsarts Van Zalinge in zijn rapportage van 15 april 2008, naar aanleiding van de door appellante in beroep overgelegde medische gegevens, inzichtelijk en overtuigend heeft aangegeven dat appellante per 27 april 2007 geschikt was voor haar arbeid. Deze arts heeft aangegeven dat bij lichamelijk onderzoek geen afwijkingen aan de rug en buik zijn geconstateerd en dat geen sprake was van concentratiestoornissen, zodat er geen reden was om appellante per datum in geding nog langer arbeidsongeschikt te houden, mede omdat zij niet al te zwaar werk verrichtte. Appellante heeft haar in hoger beroep herhaalde standpunt dat zij nog immer volledig arbeidsongeschikt is niet met nadere medische gegevens onderbouwd. Mitsdien is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van

27 april 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.

4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) F. Heringa.

CVG