Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
08-416 WWB + 08-418 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Verhuizing niet gemeld. Schending inlichtingenverplichting. Geen bijzondere omstandigheden. 2) De aankondiging van het voornemen tot verlaging van de bijstand als daarop binnen vijf jaar beroep zal worden gedaan, is niet op enig rechtsgevolg gericht en derhalve niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/416 WWB

08/418 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], appellante, en [Appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 december 2007, 07/0621 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.S. van Gans, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2009. Appellanten zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.G. Kubben, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanwege het College bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Hun laatst bekende woonadres was de [adres A] te [plaatsnaam], gemeente Sittard-Geleen. Naar aanleiding van een aanvraag om bijstand van appellanten op 1 augustus 2006 bij de gemeente Kerkrade is een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellanten. Uit dit onderzoek is volgens het College onder meer naar voren gekomen dat appellanten op 7 juni 2006 zijn verhuisd naar de gemeente Kerkrade en daar vanaf 8 juni 2006 woonachtig waren op het adres [adres B], dat appellant eerst op 2 augustus 2006 (telefonisch) van die verhuizing mededeling heeft gedaan en dat appellanten zich met ingang van 1 augustus 2006 op hun nieuwe adres hebben laten inschrijven. Vanwege het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade is aan appellanten met ingang van die datum bijstand verleend.

1.2. Bij besluit van 26 september 2006 heeft het College de aan appellanten verleende bijstand met ingang van 8 juni 2006 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 8 juni 2006 tot en met 30 juni 2006 ten bedrage van € 1.174,92 bruto teruggevorderd. Tevens heeft het College appellanten daarbij een maatregel opgelegd van € 120,--.

1.3. Bij besluit van 15 maart 2007 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 26 september 2006 gegrond verklaard, voor zover gericht tegen de maatregel, en voor het overige ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet onverwijld mededeling te doen van hun verhuizing naar de gemeente Kerkrade en dat appellanten dientengevolge vanaf 8 juni 2006 ten onrechte bijstand hebben ontvangen vanwege het College. De opgelegde verlaging van € 120,-- is vervangen door de aankondiging dat de verlaging ad € 120,-- zal worden toegepast als appellanten binnen vijf jaar weer een beroep op bijstand doen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

15 maart 2007, voor zover betrekking hebbende op de aankondiging van de verlaging van de bijstand, gegrond verklaard, het bezwaar tegen de verlaging alsnog niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard, met een bepaling inzake griffierecht.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking en terugvordering

4.1. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden, nu zij niet onverwijld mededeling hebben gedaan van hun verhuizing op 7 juni 2006 naar de gemeente Kerkrade. Appellanten hebben beiden verklaard dat die verhuizing op één dag heeft plaatsgevonden, te weten op 7 juni 2006, en dat zij reeds vanaf de volgende dag woonden en sliepen op hun nieuwe adres te Kerkrade. Appellanten dienen aan die ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en door hen mede ondertekende verklaring te worden gehouden. De aangevoerde omstandigheid dat appellanten zouden zijn bedreigd is niet nader toegelicht en laat naar het oordeel van de Raad onverlet dat appellanten hun adreswijziging reeds ten tijde van de verhuizing hadden kunnen doorgeven aan de gemeentelijke basisadministratie. Niet valt in te zien dat een inschrijving daar niet mogelijk zou zijn geweest met geheimhouding van het nieuwe adres.

4.2. Met betrekking tot de verwijzing door appellanten naar de uitspraak van de Raad van 21 januari 2003 (LJN AK0067) onderschrijft de Raad geheel de overwegingen van de rechtbank op pagina 4 van de aangevallen uitspraak en maakt hij deze tot de zijne.

4.3. Gelet op het voorgaande is aan appellanten over de periode van 8 tot en met 30 juni 2006 ten onrechte bijstand verleend. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de genoemde periode in te trekken. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen voor zover deze tot een te hoog bedrag is verleend. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van die beleidsregels had moeten afwijken.

De voorgenomen verlaging

5.1. De Raad stelt vast dat bij het besluit op bezwaar van 15 maart 2007 onder meer is besloten de aan appellanten bij besluit van 26 september 2006 opgelegde verlaging van de bijstand met een bedrag van € 120,-- te herroepen en dat het College daarbij heeft aangekondigd alsnog een verlaging toe te passen indien appellanten binnen vijf jaar bijstand aanvragen. Het beroep dat appellanten bij de rechtbank hebben ingesteld is uitsluitend gericht tegen de aankondiging van het voornemen om appellanten, ook indien zij in de toekomst beroep doen op bijstand, een verlaging op te leggen.

5.2. De Raad is van oordeel dat deze aankondiging van het voornemen tot verlaging van de bijstand als daarop binnen vijf jaar beroep zal worden gedaan niet op enig rechtsgevolg is gericht en derhalve niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen dit onderdeel van het besluit van 15 maart 2007 staat derhalve geen beroep open als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb.

5.3. De rechtbank heeft het onder 5.1 en 5.2 overwogene niet onderkend, het beroep voor zover dit betrekking heeft op deze aankondiging ten onrechte gegrond verklaard en het bezwaar tegen de aankondiging ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het beroep tegen dit onderdeel van het besluit van 15 maart 2007 niet-ontvankelijk te verklaren.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep gegrond en het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard;

Verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de aankondiging van een verlaging van de bijstand, niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) W. Altenaar.

DW