Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5896

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
10-12-2009
Zaaknummer
08-7045 WVG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang. De stelling dat schade is geleden als gevolg het besluit is niet op voorhand onaannemelijk. Niet kan worden staande gehouden dat het College destijds, met inachtneming van de staat van de rolstoel zoals deze toen was, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om uitsluitend over te gaan tot toekenning van een voorziening in de vorm van aanpassing en reparatie van de rolstoel van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7045 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 oktober 2008, 07/7170 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: het College)

Datum uitspraak: 2 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G. Groen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Groen en [naam vader], vader van appellante. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R. Frederici, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1986, is bekend met een lichamelijke en verstandelijke handicap waardoor zij volledig rolstoelgebonden is. In verband hiermee heeft appellante sinds 8 juli 2003 een rolstoel type Netti III met diverse individuele aanpassingen in bruikleen.

1.2. Op 28 december 2006 heeft appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een voorziening aangevraagd in de vorm van aanpassing of vervanging van haar rolstoel.

1.3. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) op verzoek van het College advies uitgebracht. In zijn aanvullend indicatierapport van 2 januari 2007 heeft [naam indicatieadviseur], indicatieadviseur bij CIZ (hierna: [naam indicatieadviseur]), aangegeven dat na het uitvoeren van een aantal aanpassingen aan de rolstoel, deze weer adequaat is voor appellante. De indicatie-adviseur heeft bij zijn onderzoek tevens de brief van de revalidatiearts van appellante van 23 november 2006 betrokken waarin deze arts verzoekt om vervanging van de rolstoel. De indicatie-adviseur heeft hierop telefonisch contact met de revalidatiearts gehad, hetgeen niet heeft geleid tot de conclusie dat de huidige rolstoel van appellante niet adequaat kan worden aangepast.

1.4. Bij besluit van 19 februari 2007 heeft het College aan appellante een voorziening toegekend in de vorm van een aanpassing van haar rolstoel.

1.5. Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 februari 2007 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat de voorgestelde reparaties aan de rolstoel van appellante mogelijk zijn en dat daarmee de problemen adequaat kunnen worden opgelost. Vervanging van de rolstoel is niet noodzakelijk geacht.

1.6. Op 21 januari 2008 heeft appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg opnieuw een voorziening aangevraagd in de vorm van aanpassing of vervanging van haar rolstoel.

1.7. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft CIZ op verzoek van het College advies uitgebracht. In zijn selectierapport handbewogen rolstoel van 8 april 2008 heeft [naam indicatieadviseur] aangegeven dat de huidige rolstoel van appellante enerzijds niet meer adequaat is en anderzijds technisch afgekeurd. De goedkoopst adequate oplossing voor appellante is vervanging van haar huidige rolstoel door een handbewogen rolstoel van het merk Health Care, Netti III.

1.8. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het College aan appellante een voorziening toegekend in de vorm van vervanging van haar rolstoel door een Netti III handbewogen rolstoel met individuele aanpassing.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt dat appellante geen medische gegevens in het geding heeft gebracht op grond waarvan aan de juistheid van de uitgebrachte adviezen zou moeten worden getwijfeld en ook overigens is niet gebleken dat deze niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet staande worden gehouden dat het College destijds, met inachtneming van de staat van de rolstoel zoals die toen was, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om uitsluitend over te gaan tot toekenning van een voorziening in de vorm van aanpassing en reparatie van de rolstoel van appellante. Dat vervanging later alsnog noodzakelijk is gebleken leidt niet tot een ander oordeel.

3. Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Kort samengevat is aangevoerd dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat vervanging van de rolstoel medisch noodzakelijk is. De rolstoel is regelmatig kapot en voldoet niet. Gelet op de vele te repareren onderdelen was vervanging destijds de goedkoopst adequate voorziening.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.

4.2. Ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, van de Wvg is in de gemeente ’s-Gravenhage de Verordening Voorzieningen Gehandicapten (hierna: Vvg) vastgesteld.

4.3. De Raad stelt vast dat het College met het besluit van 29 mei 2008 alsnog aan appellante een voorziening heeft toegekend in de vorm van vervanging van haar rolstoel door de Netti III handbewogen rolstoel met individuele aanpassing, waarmee het belang van appellante bij een beoordeling van het besluit van 20 augustus 2007 in beginsel is komen te vervallen. Niettemin kan er nog steeds sprake zijn van een actueel procesbelang, indien door appellante gesteld wordt dat zij schade heeft geleden door de bestuurlijke besluitvorming en zij een uitspraak van de Raad wenst met het oog op een eventuele vordering tot schadevergoeding. Daarvoor is wel vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg - van - het besluit van 20 augustus 2007 (en dat van 19 februari 2007), niet op voorhand onaannemelijk is.

4.4. In het geval van appellante is dit volgens de Raad niet op voorhand onaannemelijk, zodat appellante voldoende belang heeft bij een beoordeling van het besluit van 20 augustus 2007.

4.5. Het standpunt van appellante dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat vervanging van de rolstoel medisch noodzakelijk was en dat, gelet op de vele te repareren onderdelen, vervanging destijds de goedkoopst adequate voorziening was, volgt de Raad niet. Eerst op 8 januari 2008 is bij rapport van R. Kimpel, werkzaam bij de Harting Bank, geconstateerd dat de speling aan het frame van de rolstoel van appellante progressief was toegenomen, zodat de stabiliteit van de rolstoel als geheel duidelijk was verminderd. Reparatie van de rolstoel bleek niet langer economisch verantwoord. Naar aanleiding hiervan heeft appellante op 21 januari 2008 een nieuwe voorziening aangevraagd in de vorm van vervanging van haar oude rolstoel. Niet kan worden staande gehouden dat het College destijds, met inachtneming van de staat van de rolstoel zoals deze toen was, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om uitsluitend over te gaan tot toekenning van een voorziening in de vorm van aanpassing en reparatie van de rolstoel van appellante.

5. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) B.E. Giesen.

RB