Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
08-668 CSV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Correctienota’s over de jaren 2002 tot en met 2004. Appellante heeft lonen uitbetaald voor overuren die niet in de loonadministratie zijn verantwoord. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende basis bieden voor het standpunt dat de overuren ten tijde hier in geding zijn uitbetaald naar een bedrag van € 9,08 per uur. De rechtbank en het Uwv hebben terecht zwaarwegende betekenis toegekend aan de verklaring van de boekhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/668 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante]., gevestigd te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 december 2007, 07/1208 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante hebben mrs. R.W.J. Kerckhoffs en I. Leenders, advocaten te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met nr. 08/672 CSV, plaatsgevonden op 21 augustus 2008. Namens appellante is mr. Leenders verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.

Het geding is, gevoegd met het onderzoek in het geding met nr. 08/672 CSV, opnieuw behandeld ter zitting van 2 september 2009. Namens appellante is mr. Leenders verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) zoals die luidde ten tijde hier van belang.

2. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

2.1. Het Uwv heeft in de resultaten van een bij appellante uitgevoerd fraudeonderzoek, welke resultaten zijn neergelegd in het rapport werkgeversfraude en het procesverbaal werkgeversfraude van 17 oktober 2005, aanleiding gezien om correctienota’s over de jaren 2002 tot en met 2004 op te leggen. Deze correctienota’s heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 8 september 2006 gehandhaafd. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat appellante lonen heeft uitbetaald voor overuren die niet in de loonadministratie zijn verantwoord.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 8 september 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor de Raad staat allereerst voldoende vast dat de in het rapport werkgeversfraude van 17 oktober 2005 vermelde betalingen voor overwerk in het geheel niet zijn verantwoord in de loonadministratie. De omstandigheid dat deze betalingen wel in de kasadministratie zijn verantwoord en het Uwv aan de hand van deze administratie het feitelijk aantal gewerkte uren heeft vastgesteld, doet aan het vorenstaande niet af.

4.2. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat de onderzoeksbevindingen voldoende basis bieden voor het standpunt dat de overuren ten tijde hier in geding zijn uitbetaald naar een bedrag van € 9,08 per uur. Daarbij verwijst de Raad naar de verklaringen van de boekhouder van appellante [naam boekhouder] (hierna: [naam boekhouder]) die onder meer het volgende heeft verklaard: ‘U vraagt mij of er dan aan mij wordt doorgegeven hoeveel uren er zijn overgewerkt, of dat er aan mij wordt gezegd hoeveel loon er aan overwerk moet worden betaald. Ik zeg u dat er drie soorten uren zijn voor wat betreft overwerk. Er zijn uren die aangemerkt worden als reisuren, uren voor echt overwerk en weekenduren. Deze uren kennen een verschillend tarief. Voor reisuren krijgt men naar ik meen € 4,54 netto, voor overwerk € 10,00 en voor een weekend-uur dacht ik € 15,00 netto. Ik weet dat niet zeker. Waar ik wel zeker van ben is het bedrag van € 10,00 netto voor overwerk. Deze bedragen zijn er sinds jaar en dag. Dus voorzover ik weet is dat altijd al geweest. Voor het echte overwerk is het bedrag € 9,07 netto. Nu weet ik het zeker. Dat is indertijd zo omgerekend vanuit guldens.’.

4.3. De Raad is van oordeel dat de rechtbank en het Uwv terecht zwaarwegende betekenis hebben toegekend aan vorenvermelde verklaring, omdat [naam boekhouder] hierin bij herhaling, met grote mate van stelligheid en gemotiveerd heeft aangegeven op welke wijze en tot welk bedrag de gemaakte (overwerk)uren werden verloond. Het is voorts geloofwaardig dat het bedrag van € 9,08 een per 2002 van het uurloon in guldens (NLG 20,-) afgeleid bedrag is. Aan de omstandigheid dat [naam boekhouder] zijn verklaring later heeft ingetrokken, hecht de Raad niet die betekenis die appellante daaraan toegekend wil zien. Deze tweede door [naam boekhouder] afgelegde verklaring van 11 januari 2006 bevat weinig informatie en overtuigt de Raad niet van de juistheid van de stelling van appellante dat [naam boekhouder] zich bij het afleggen van zijn eerste verklaring heeft vergist. De eerste verklaring van [naam boekhouder] wordt voorts ondersteund door een in de agenda van 2003 van één van de werknemers van appellante aangetroffen notitie, waaruit kan worden opgemaakt dat reeds in 2003 een bedrag van € 9,08 per uur voor overwerk werd uitbetaald. Dat deze notitie geen betrekking zou hebben op het jaar 2003 acht de Raad niet aannemelijk. Ook ziet de Raad in de verklaring van H. Hoffland geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

4.4. Met betrekking tot het verzoek van appellante om ter zake van het vorenstaande met tegenbewijs te komen, merkt de Raad op dat appellante hiertoe ruimschoots, namelijk vanaf het moment dat de onderzoeksresultaten aan haar bekend zijn gemaakt, de gelegenheid heeft gehad. De rechtbank heeft derhalve aan dit bewijsaanbod voorbij mogen gaan. Ook de Raad wijst het verzoek van appellante om tegenbewijs te leveren af. De Raad acht zich op grond van de thans beschikbare gegevens voldoende voorgelicht.

4.5. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het Uwv bij besluit van 8 september 2006 terecht de aan appellante opgelegde correctienota’s heeft gehandhaafd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

DW