Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5750

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
09/920 AW + 09/921 AW + 09/922 AW + 09/923 AW + 09/2426 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking van de bovenwettelijke uitkering. Nu de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering in rechte vaststaat, bestaat gelet op artikel 4 van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijs-personeel primair en voortgezet onderwijs, zoals dit luidde op 16 februari 2007, geen recht op een bovenwettelijke uitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de intrekking van het besluit tot toekenning van de bovenwettelijke uitkering per 16 februari 2007 dan ook terecht onderschreven. De Raad stelt vast dat niet is weersproken dat appellant steeds heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht en de minister op de mogelijk onjuiste betaling van de uitkering heeft gewezen, zodat appellant van de onverschuldigd betaalde uitkering geen verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de Raad kan dit er echter niet toe leiden dat van terugvordering moet worden afgezien nu appellant, gelet op de hoogte van zijn inkomen, redelijkerwijs had kunnen weten dat de bovenwettelijke uitkering onverschuldigd werd betaald. De Raad is voorts van oordeel dat niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is slechts sprake van dringende redenen indien door de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor de betrokkene optreden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op het recht op suppletie het verplichtingen- en sanctieregiem van de WW van toepassing is. Nu vaststaat dat appellant niet heeft voldaan aan zijn uit de WW voortvloeiende sollicitatieverplichting, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister op goede gronden, in navolging van de maatregelen op de WW-uitkering en met gelijke ingangsdata, maatregelen op de suppletie heeft opgelegd. Het is de Raad niet gebleken dat aan appellant uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan dat het recht op suppletie zou worden gehandhaafd en de suppletie zou worden uitbetaald. Geen schending van de redelijke termijn. Afwijzing schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/920 AW, 09/921 AW, 09/922 AW, 09/923 AW en 09/2426 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 februari 2009, 08/2716, 08/3795, 08/4066 en 08/4067 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister).

Datum uitspraak: 2 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de minister op 6 april 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Bij uitspraak van 7 augustus 2009, nrs. 09/3628 AW en 09/3629 AW, heeft de voorzieningenrechter van de Raad het verzoek van appellant afgewezen om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote van appellant]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij Loyalis Maatwerkadministraties B.V. te Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant, destijds werkzaam in het primair onderwijs, is in 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke met ingang van 21 augustus 2001 is verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45 %. Bij besluit van 26 februari 2002 is hem met ingang van 1 januari 2001 een zogenoemde suppletie-uitkering toegekend in aanvulling op de WAO-uitkering. Bij besluiten van 20 december 2002 is aan appellant met ingang van 1 januari 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend en is als gevolg daarvan de suppletie op de WAO-uitkering gewijzigd.

1.2. Bij besluit van 4 mei 2005 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wegens het ondanks eerdere waarschuwingen en een maatregel wederom niet voldoen aan de sollicitatieplicht, de WW-uitkering met ingang van 1 mei 2005 voor de duur van 16 weken met 30 % verlaagd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Appellant heeft daartegen geen beroep ingesteld. Bij besluit van 20 oktober 2005 is de WW-uitkering met ingang van 1 augustus 2005 blijvend geheel geweigerd omdat appellant in augustus en september 2005 wederom niet had voldaan aan de sollicitatieplicht. Daartegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Vanaf 1 mei 2005 is de suppletie niet meer tot uitbetaling gekomen. De suppletie-uitkering is met ingang van 16 februari 2007 beëindigd.

1.3. Bij besluit van 12 maart 2007 is aan appellant met ingang van 16 februari 2007 een bovenwettelijke uitkering toegekend. Vervolgens is hem met ingang van 1 oktober 2007 opnieuw een WW-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidspatroon van gemiddeld 17 uur per week. Appellant heeft bij brief van 9 november 2007 aan de minister meegedeeld dat hij, gezien de hoogte van zijn inkomen, twijfels heeft over de juistheid van de toekenning van de bovenwettelijke uitkering en dat hij dit al meerdere keren heeft gemeld. Tevens heeft hij verzocht om uitbetaling van de suppletie vanaf 1 mei 2005. Bij besluit van 24 december 2007 heeft de minister de toekenning van de bovenwettelijke uitkering ingetrokken. Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.4. Bij afzonderlijke besluiten van 4 april 2008 is een bedrag van € 8.261,94 aan onverschuldigd betaalde bovenwettelijke uitkering van appellant teruggevorderd, de suppletie met ingang van 1 mei 2005 verlaagd naar nihil en per 1 augustus 2005 blijvend geheel geweigerd.

2. Bij besluit van 5 maart 2008 is het bezwaar tegen de intrekking van de bovenwettelijke uitkering ongegrond verklaard. Bij besluiten van 19 mei 2008 zijn de tegen de besluiten van 4 april 2008 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 5 maart 2008 en 19 mei 2008.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen de weigering om de met 20 % verlaagde suppletie over de periode 1 mei tot 1 augustus 2005 te betalen gegrond verklaard, het daarop betrekking hebbende bestreden besluit van 19 mei 2008 vernietigd en de minister opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

3.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is bij besluit van 6 april 2009 het bezwaar tegen de maatregel op de suppletie wederom ongegrond verklaard en is bepaald dat de suppletie gezien de neveninkomsten van appellant en hoogte van diens WAO- en WW-uitkering (waarbij de korting van 30 % gedurende 16 weken buiten beschouwing moet worden gelaten) niet meer tot uitbetaling komt.

3.2. Aangezien met het besluit van 6 april 2009 niet aan het bezwaar van appellant is tegemoetgekomen strekt het hoger beroep zich gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tevens uit tot dit besluit.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 20 oktober 2005, waarbij de WW-uitkering blijvend geheel is geweigerd. Dit betekent dat de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering in rechte onaantastbaar is geworden, zodat daar bij de beoordeling van het recht op bovenwettelijke uitkering en het recht op suppletie vanuit moet worden gegaan. In zijn brief van 23 september 2009 en ter zitting van de Raad heeft appellant de Raad verzocht om de behandeling van het hoger beroep aan te houden teneinde in staat te worden gesteld alsnog bezwaar te maken tegen het besluit van 20 oktober 2005. De Raad ziet hiertoe geen reden nu de minister ter zitting heeft verklaard dat een eventuele herziening van het besluit van 20 oktober 2005 ook buiten de onderhavige procedure om tot herziening van het recht op bovenwettelijke uitkering zal leiden.

4.2. Nu de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering in rechte vaststaat, bestaat gelet op artikel 4 van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijs-personeel primair en voortgezet onderwijs, zoals dit luidde op 16 februari 2007, geen recht op een bovenwettelijke uitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de intrekking van het besluit tot toekenning van de bovenwettelijke uitkering per 16 februari 2007 dan ook terecht onderschreven.

4.3. Ten gevolge hiervan is de bovenwettelijke uitkering over de periode 16 februari 2007 tot oktober 2007 onverschuldigd betaald. De minister heeft de onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 8.261,94 bruto van appellant teruggevorderd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat van terugvordering zou moeten worden afgezien nu hij de minister steeds heeft geïnformeerd over zijn uitkeringssituatie en zelfs de vraag heeft voorgelegd of wel recht bestaat op een bovenwettelijke uitkering. De Raad stelt vast dat niet is weersproken dat appellant steeds heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht en de minister op de mogelijk onjuiste betaling van de uitkering heeft gewezen, zodat appellant van de onverschuldigd betaalde uitkering geen verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de Raad kan dit er echter niet toe leiden dat van terugvordering moet worden afgezien nu appellant, gelet op de hoogte van zijn inkomen, redelijkerwijs had kunnen weten dat de bovenwettelijke uitkering onverschuldigd werd betaald. De minister was dan ook gehouden de onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen.

4.4. De Raad is voorts van oordeel dat niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is slechts sprake van dringende redenen indien door de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor de betrokkene optreden. Gelet op de hoogte van het inkomen van appellant, ongeveer € 3.000,- bruto per maand en de mogelijkheid om een afbetalingsregeling te treffen met de minister kan niet gezegd worden dat daarvan sprake is.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op het recht op suppletie het verplichtingen- en sanctieregiem van de WW van toepassing is. Nu vaststaat dat appellant niet heeft voldaan aan zijn uit de WW voortvloeiende sollicitatieverplichting, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de minister op goede gronden, in navolging van de maatregelen op de WW-uitkering en met gelijke ingangsdata, maatregelen op de suppletie heeft opgelegd.

4.6. De minister heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 6 april 2009 opnieuw op het bezwaar tegen de weigering van de uitbetaling van de suppletie over de periode 1 mei tot 1 augustus 2005 beslist. De Raad ziet geen reden dit besluit voor onjuist te houden. Het is de Raad niet gebleken dat aan appellant uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan dat het recht op suppletie zou worden gehandhaafd en de suppletie zou worden uitbetaald. Voor zover appellant zich heeft beroepen op een in rechte te honoreren door de minister opgewekt vertrouwen, slaagt dat beroep niet.

4.7. Ten slotte heeft appellant in zijn brief aan de Raad van 4 mei 2009 gesteld dat de termijnen die de minister hanteert voor het nakomen van de verplichtingen niet meer vallen binnen kaders van redelijke termijnen. De Raad overweegt hieromtrent dat op grond van vaste rechtspraak bij een procedure in drie instanties in zaken zoals deze, de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De Raad is van oordeel dat gelet op de verschillende data van besluitvorming in de onderhavige zaken geen sprake is van schending van de redelijke termijn, zodat een beroep daarop evenmin kan slagen.

5. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Het beroep dat appellant heeft ingesteld tegen het besluit van 6 april 2009 moet ongegrond worden verklaard. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte, zodat het verzoek van appellant daartoe dient te worden afgewezen.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 6 april 2009 ongegrond;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) I. Mos.

HD