Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5738

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
08-5808 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos. Afwijkende verklaringen. De Raad (oordeelt) dat betrokkene zich zodanig heeft gedragen dat van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het Uwv heeft betrokkene dan ook terecht verwijtbaar werkloos geacht (...). Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5808 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 augustus 2008, 07/2003 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 26 november 2009.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.A. Visser, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Visser, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die golden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Betrokkene heeft, nadat zijn arbeidsovereenkomst met [naam werkgever] (hierna: de werkgever) op verzoek van de werkgever door de kantonrechter was ontbonden met ingang van 15 mei 2007, appellant verzocht om hem voor een WW-uitkering in aanmerking te brengen ingaande 16 mei 2007. Bij besluit van 13 juni 2007 heeft appellant de WW-uitkering van betrokkene blijvend geheel geweigerd op de grond dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden. Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt en bij besluit op bezwaar van 10 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant tekort is geschoten in zijn onderzoeksplicht door verwijtbare werkloosheid aan te nemen op basis van de verklaring van een klaagster, Van S, over ongewenst gedrag van betrokkene jegens haar tijdens een vlucht op 5 maart 2007, terwijl die verklaring op essentiële punten afweek van de verklaring die de gezagvoerder van de vlucht heeft afgelegd over hetgeen Van S aan hem had verteld. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant nader onderzoek moeten doen naar deze discrepanties.

2.4. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep van appellant spitst zich toe op de inhoud en de waardering van de verklaringen die aan appellant ter beschikking zijn gesteld. Appellant heeft erop gewezen dat, nu de rechtbank de geloofwaardigheid van twee eerdere, soortgelijke klachten over het gedrag van betrokkene niet in twijfel heeft getrokken, niet is in te zien waarom dat anders is ten aanzien van de verklaring van Van S. Volgens appellant is er geen sprake van dat die verklaring op essentiële punten afwijkt van die van de gezagvoerder en is niet in te zien dat er nader onderzoek had moeten worden gedaan, zoals door de rechtbank is geoordeeld.

2.5. In verweer heeft betrokkene gesteld dat appellant niet af had mogen gaan op de drie schriftelijke verklaringen en de drie klaagsters zelf had moeten horen. Voorts stelt betrokkene dat hij niet verwijtbaar werkloos kan worden geacht omdat de dienstbetrekking niet is ontbonden wegens een dringende reden en hij niet op staande voet is ontslagen.

3. De Raad overweegt als volgt.

4. Ter beoordeling staat de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel met betrekking tot het bestreden besluit.

5.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant in beginsel mocht afgaan op de zich in het dossier bevindende schriftelijke verklaringen. De Raad merkt op geen aanknopingspunten te hebben om te twijfelen aan de verklaringen van S en H. Betrokkene heeft erkend dat de verklaring van S op waarheid berust en hij zich jegens haar ongepast heeft gedragen. Op de verklaring van H heeft betrokkene niet inhoudelijk gereageerd. De Raad ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. De verklaring van S is voor de werkgever aanleiding geweest voor het instellen van een onderzoek. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een verslag van 29 juni 2006, schriftelijk aan betrokkene medegedeeld en naar aanleiding van de verklaring van H aangevuld bij schrijven van 27 juli 2006. Tevens heeft op die datum een gesprek met betrokkene plaatsgevonden, waarin betrokkene duidelijk is gemaakt dat bij een volgende klacht het verdere vertrouwen in een goede samenwerking ernstig zou worden beschaamd en maatregelen zouden worden genomen, waarbij maatregelen gericht op beëindiging van het dienstverband niet werden uitgesloten. Betrokkene was dan ook, wat zijn gedrag tegenover zijn collega’s betreft, een gewaarschuwd man.

5.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verklaring van gezagvoerder P op essentiële punten niet overeenkomt met de hiervoor vermelde verklaring van Van S omdat, zo stelt de rechtbank, P melding heeft gemaakt van één incident tussen betrokkene en Van S, terwijl Van S in haar verklaring heeft gesproken over twee incidenten. Hoewel de constatering van de rechtbank dat de gezagvoerder in zijn relaas van één incident melding heeft gemaakt juist is, deelt de Raad de daaraan door de rechtbank verbonden conclusie dat de verklaringen van P en Van S op essentiële punten van elkaar afwijken, niet. Het door P noemen van één incident betekent naar het oordeel van de Raad niet dat het tweede incident niet heeft plaatsgevonden. Daarbij wijst de Raad er op dat de verklaring van P niet was gericht op een precieze beschrijving met het oog op de arbeidsrechtelijke relatie, maar dat deze was gericht op de veiligheid aan boord en op de professionaliteit van het personeel. De Raad ziet geen aanleiding voor twijfel aan de verklaring van Van S en acht door betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat vooringenomenheid van Van S over hem heeft geleid tot het afleggen van de onderhavige verklaring en het indienen van de klacht.

5.3. De Raad komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat betrokkene zich zodanig heeft gedragen dat van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Appellant heeft betrokkene dan ook terecht verwijtbaar werkloos geacht in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P. Boer.

BvW/1611