Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
08-3386 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uwv heeft terecht uitsluitend het belaste deel van de vakantiebonnen bij de berekening van het dagloon meegenomen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, van de WIA en artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen niet de volledige waarde, maar uitsluitend de belaste waarde van de vakantiebonnen bij de berekening van het dagloon heeft betrokken. De Raad is van oordeel dat in artikel 3, eerste lid, van het Besluit geen grondslag is te vinden voor het standpunt van appellant dat met betrekking tot de vakantiebonnen uitgegaan moet worden van de bedragen die appellant aan loon/vakantiebijslag tijdens de referteperiode heeft opgebouwd. Dat de waarde van de bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen slechts gedeeltelijk in de berekening van het dagloon is meegenomen, is voorts geen omstandigheid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, waarbij een werknemer in verband met verlof geen of minder loon heeft genoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3386 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 april 2008, 07/1991 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 2 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Drachten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009. Voor appellant is verschenen mr. Koekkoek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaken 07/3320 WIA en 08/4709 WIA. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 1 februari 2007 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant met ingang van 31 januari 2007 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen, op de grond dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 3 juli 2007 heeft het Uwv het tegen het besluit van 1 februari 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Hangende het beroep van appellant tegen het besluit van 3 juli 2007 heeft het Uwv op 23 november 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Bij dat besluit is aan appellant meegedeeld dat hij op grond van de WIA met ingang van 31 januari 2007 recht heeft op een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering). De hoogte van de uitkering is gebaseerd op het dagloon van € 116,81.

De rechtbank heeft dit nieuwe besluit met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht bij de behandeling van het beroep betrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 juli 2007 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 23 november 2007 is ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover thans nog van belang, overwogen dat het Uwv terecht uitsluitend het belaste deel van de vakantiebonnen bij de berekening van het dagloon heeft meegenomen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, van de WIA en artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: Besluit) niet de volledige waarde, maar uitsluitend de belaste waarde van de vakantiebonnen bij de berekening van het dagloon heeft betrokken. Het Uwv is daarbij terecht uitgegaan van het loon dat in het refertejaar daadwerkelijk is genoten en door de werkgever aan het Uwv als premieplichtig loon is opgegeven. De omstandigheid de perioden waarin in verband met vakantie geen of minder loon is betaald wel zijn meegenomen in de berekening van het dagloon, terwijl de daarvoor bedoelde vakantiebonnen deels buiten beschouwing worden gelaten, levert geen grond op om in afwijking van het Besluit van een ander loonbedrag uit te gaan, omdat het Besluit niet in deze afwijkingsmogelijkheid voorziet.

4.2. De Raad is voorts van oordeel dat in artikel 3, eerste lid, van het Besluit geen grondslag is te vinden voor het standpunt van appellant dat met betrekking tot de vakantiebonnen uitgegaan moet worden van de bedragen die appellant aan loon/vakantiebijslag tijdens de referteperiode heeft opgebouwd. Met betrekking tot vakantiebijslag en uitkeringen die het karakter hebben van een extra periodiek salaris worden op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit de in het refertejaar feitelijk uitbetaalde bedragen buiten de berekening van het dagloon gehouden. In plaats daarvan wordt bij de dagloonberekening rekening gehouden met het bedrag dat de werknemer heeft opgebouwd aan vakantiebijslag en aan uitkeringen in de vorm van extra periodiek salaris. Er bestaat geen grond om deze regels inzake de vakantiebijslag en het extra periodiek salaris uitkering rechtstreeks dan wel naar analogie van toepassing te achten op vakantiebonnen. Daarbij kan tevens worden verwezen naar artikel 1, tweede lid, van het Besluit en de Nota van Toelichting bij artikel 3, eerste lid, van het Besluit.

4.3. Dat de waarde van de bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen slechts gedeeltelijk in de berekening van het dagloon is meegenomen, is voorts geen omstandigheid als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, waarbij een werknemer in verband met verlof geen of minder loon heeft genoten.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

4.5. De Raad wijst derhalve het verzoek om schadevergoeding af.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

mm