Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5696

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
08-7258 WUBO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum toegekende toeslag. De Raad is met verweerster van oordeel dat uit de systematiek van genoemde wetten, zoals dwingendrechtelijk is bepaald in artikel 4 van de Wubo, volgt dat aanspraken op beide wetten niet tegelijkertijd kunnen worden genoten. In het onderhavige geval brengt dat met zich mee dat verweerster geen gebruik kan maken van haar in van artikel 40, tweede lid, van de Wubo gegeven bevoegdheid om de toeslag eerder te laten ingaan. De omstandigheid dat de Wuv-uitkering met ingang van een eerdere datum op nihil is gesteld maakt het voorgaande niet anders, omdat de aanspraak op de Wuv pas per 1 juli 2008 is beƫindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/7258 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 26 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 november 2008, kenmerk BZ 8698, JZ/L80/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Daar is appellant in persoon verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1941, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv). Een toeval van vermogen in de vorm van een erfenis heeft ertoe geleid dat in juni 2008 in het kader van de Wuv aan appellant onder meer is bericht dat de uitkering met ingang van 1 juni 2007 niet meer tot uitbetaling kan komen.

1.2. In juli 2008 heeft appellant vervolgens bij de Raadskamer WUV een (voorwaar-delijk) verzoek ingediend om intrekking van de periodieke uitkering ingevolge de Wuv en voorts bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo. Bij besluit van 11 augustus 2008 is appellant - bij gelijktijdige intrekking van de periodieke uitkering ingevolge de Wuv - door verweerster op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer en is met ingang van 1 juli 2008 de gevraagde toeslag toegekend. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar, gericht tegen de ingangsdatum van de toeslag, heeft verweerster bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

1.3. In beroep heeft appellant onder meer zijn in bezwaar naar voren gebrachte grief herhaald dat de ingangsdatum van de toegekende toeslag moet worden gesteld op 1 juni 2007, zijnde de datum waarop de Wuv-uitkering niet meer betaalbaar is gesteld.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Gelet op het bepaalde in artikel 40, eerste lid, van de Wubo is de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wubo aan appellant toegekend met ingang van 1 juli 2008, zijnde de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend. Verweersters weigering om de toeslag met terugwerkende kracht te verlenen steunt op de overweging, zoals namens verweerster ter zitting is toegelicht, dat appellant geen aanspraak op de Wubo kan ontlenen indien hij tevens aanspraak maakt op een uitkering in het kader van de Wuv.

2.2. De Raad is met verweerster van oordeel dat uit de systematiek van genoemde wetten, zoals dwingendrechtelijk is bepaald in artikel 4 van de Wubo, volgt dat aanspraken op beide wetten niet tegelijkertijd kunnen worden genoten. In het onderhavige geval brengt dat met zich mee dat verweerster geen gebruik kan maken van haar in van artikel 40, tweede lid, van de Wubo gegeven bevoegdheid om de toeslag eerder te laten ingaan. De omstandigheid dat de Wuv-uitkering met ingang van een eerdere datum op nihil is gesteld maakt het voorgaande niet anders, omdat de aanspraak op de Wuv pas per 1 juli 2008 is beƫindigd.

3. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat. Het ingestelde beroep moet dus ongegrond worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD