Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5678

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
08-4811 WUV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering aanvraag voor vergoeding van de aanschafkosten van een auto. De uit de vervolging ontstane psychische klachten van appellant leveren geen volledige beperking op voor het reizen met het openbaar vervoer of met de taxi. Dit is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad en met gegevens uit de zogenoemde behandelende sector. Hierbij is ook vastgesteld dat appellant bijvoorbeeld wel kan meerijden met zijn broer, ondanks zijn controledwang. De huisarts noemt de psychische toestand van appellant stabiel en volgens zijn informatie functioneert appellant goed en maakt hij incidenteel gewag van traumatische voorvallen in het verleden. De huisarts acht geen sprake van beperkingen voor vervoer. Uit de overige gegevens komt naar voren dat appellant op grond van zijn psychische klachten weliswaar beperkingen ondervindt waardoor hij geen gebruik maakt van het openbaar vervoer, maar voor een totale beperking voor openbaar vervoer en taxi is geen grondslag te vinden. Appellant wordt niet behandeld voor zijn psychische klachten en er zijn geen medische gegevens voorhanden die doen twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4811 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 26 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 juli 2008, kenmerk BZ 47829, JZ/B70/2008, ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

1940-1945 (hierna: Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Appellant is verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1942, is erkend als vervolgde in de zin van de Wet en ontvangt op grond van zijn met de vervolging in verband staande psychische klachten sinds 1 oktober 1991 een periodieke uitkering. Aan hem zijn tevens enkele voorzieningen toegekend. In 1996 en in 1999 heeft appellant aanvragen ingediend voor vergoeding van de aanschafkosten van een auto. Verweerster heeft op beide aanvragen afwijzend beslist.

1.2. In februari 2008 heeft appellant opnieuw verzocht hem in aanmerking te brengen voor vergoeding van de aanschafkosten van een auto. Verweerster heeft bij besluit van

28 mei 2008 geweigerd deze voorziening aan appellant te verstrekken, op de grond dat geen sprake is van een relevante wijziging ten opzichte van de situatie bij de eerdere aanvragen van appellant. Bij het bestreden besluit is het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft in beroep in hoofdzaak naar voren gebracht dat zijn leven en dat van zijn broers en zusters door het vergoeden van een auto weer zin zal hebben. Bij reizen met de trein moet hij denken aan zijn in de oorlog weggevoerde familieleden en bij reizen met de taxi denkt hij dat hij zelf wordt weggebracht. Hij kan het slecht verdragen om met te veel mensen bij elkaar in een kleine ruimte te zijn en houdt graag zelf de controle. Alle familieleden wonen ver weg en hij voelt zich beter in familiekring, daar vindt hij steun. Verder bezoekt hij bijeenkomsten van de Pinkstergemeente en gaat hij op bedevaart. Met zijn huidige (oudere) auto is het afleggen van grotere afstanden niet meer verantwoord.

3. Verweerster heeft aangevoerd dat de problematiek van appellant niet wezenlijk is veranderd ten opzichte van de eerdere aanvragen en dat bij appellant geen sprake is van een totale beperking voor het openbaar vervoer en de taxi, zodat geen sprake is van een medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid om een auto te vergoeden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Aan de onderhavige weigering op de hernieuwde aanvraag van appellant ligt ten grondslag het oordeel dat de uit de vervolging ontstane psychische klachten van appellant geen volledige beperking opleveren voor het reizen met het openbaar vervoer of met de taxi. Dit is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad en met gegevens uit de zogenoemde behandelende sector. Hierbij is ook vastgesteld dat appellant bijvoorbeeld wel kan meerijden met zijn broer, ondanks zijn controledwang. De huisarts noemt de psychische toestand van appellant stabiel en volgens zijn informatie functioneert appellant goed en maakt hij incidenteel gewag van traumatische voorvallen in het verleden. De huisarts acht geen sprake van beperkingen voor vervoer. Uit de overige gegevens komt naar voren dat appellant op grond van zijn psychische klachten weliswaar beperkingen ondervindt waardoor hij geen gebruik maakt van het openbaar vervoer, maar voor een totale beperking voor openbaar vervoer en taxi is geen grondslag te vinden. Appellant wordt niet behandeld voor zijn psychische klachten en er zijn geen medische gegevens voorhanden die doen twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch oordeel.

4.2. Gezien hetgeen onder 4.1 is overwogen, is van een medische noodzaak in de zin van artikel 20 van de Wet of van een medisch-sociale wenselijkheid in de zin van artikel 21 van de Wet geen sprake. Verweerster heeft naar het oordeel van de Raad dan ook terecht geweigerd de gevraagde voorziening te verstrekken. Het beroep van appellant dient ongegrond te worden verklaard.

4.3. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

HD