Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5662

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
08-5665 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstand van appellante voort te zetten in de vorm van een geldlening. Artikel 48, tweede lid, van de WWB kent het College de bevoegdheid toe om de bijstand (voortaan) te verlenen in de vorm van een geldlening. Deze bepaling richt zich uitsluitend tot het College. De betrokkene kan aan deze bepaling niet een zelfstandige aanspraak ontlenen tot verlening van bijstand in de vorm van een geldlening indien hij daarom verzoekt. De Raad tekent aan dat, anders dan appellante kennelijk meent, ook wanneer sprake is van verlening van algemene bijstand in de vorm van een geldlening voor de betrokkene de arbeidsverplichtingen gelden en dat het verwijtbaar niet nakomen van die verplichtingen op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB in beginsel dient te leiden tot verlaging van de bijstand overeenkomstig de daarvoor geldende verordening. Het standpunt van appellante dat haar aanvraag spoort met de suggestie van de Commissie voor de bezwaarschriften tot verlening van bijstand in de vorm van een geldlening leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad verwijst op dit punt naar het verweerschrift van het College waarin op toereikende wijze is weerlegd dat aan voormelde suggestie gevolgen zouden moeten worden verbonden voor de onderhavige aanvraag.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 28
RSV 2010/51
USZ 2010/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5665 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 augustus 2008, 07/1016 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 20 oktober 2009. Partijen zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1 Appellante ontving een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij brief van 19 februari 2007 heeft mr. Van Asperen namens appellante het College verzocht de bijstand met ingang van 1 maart 2007 te beƫindigen en de bijstand in de kosten van levensonderhoud na 1 maart 2007 voort te zetten in de vorm van een lening als bedoeld in artikel 48 van de WWB. Aan dat verzoek heeft appellante ten grondslag gelegd dat zij volgens het College blijkbaar een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de bestaanskosten betoont door te kiezen voor haar HBO-opleiding tot verloskundige.

1.3. Bij besluit van 28 maart 2007 heeft het College geweigerd de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2007 voort te zetten in de vorm van een geldlening.

1.4. Bij brief van 16 april 2007 heeft mr. Van Asperen het College bericht dat het de bedoeling van zijn brief van 19 februari 2007 is dat de bijstand om niet met ingang van 1 maart 2007 wordt stopgezet en dat het verzoek om bijstand in de vorm van een lening als een aanvraag moet worden gezien.

1.5. Bij besluit van 24 april 2007 heeft het College appellante meegedeeld dat de bijstand met ingang van 1 maart 2007 op haar eigen verzoek is ingetrokken. Appellante heeft tegen dat besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.6. Bij besluit van 18 september 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 maart 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het College niet de verplichting, maar de bevoegdheid heeft om bijstand te verlenen in de vorm van een lening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat appellante met haar bij 1.4 bedoelde aanvraag (uitsluitend) heeft beoogd om na de intrekking van de bijstandsuitkering die zij om niet ontving opnieuw bijstand te verkrijgen, maar dan in de vorm van een geldlening.

4.2. Naar het oordeel van de Raad past een dergelijke aanvraag niet in het systeem van de WWB. Volgens artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft recht op bijstand van overheidswege iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. De betrokkene dient ter effectuering van dat recht een aanvraag te doen. Indien wordt vastgesteld dat sprake is van bijstandsbehoevende omstandigheden wordt de bijstand overeenkomstig de hoofdregel van artikel 48, eerste lid, van de WWB verleend om niet.

4.3. Artikel 48, tweede lid, van de WWB kent het College de bevoegdheid toe om, in de aldaar beschreven gevallen, de bijstand (voortaan) te verlenen in de vorm van een geldlening. Deze bepaling richt zich uitsluitend tot het College. De betrokkene kan aan deze bepaling niet een zelfstandige aanspraak ontlenen tot verlening van bijstand in de vorm van een geldlening indien hij daarom verzoekt. Het College heeft, nu de aanvraag van appellante slechts hierop ziet, deze reeds hierom terecht afgewezen. De Raad tekent bij het voorgaande nog aan dat, anders dan appellante kennelijk meent, ook wanneer sprake is van verlening van algemene bijstand in de vorm van een geldlening voor de betrokkene de arbeidsverplichtingen gelden en dat het verwijtbaar niet nakomen van die verplichtingen op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB in beginsel dient te leiden tot verlaging van de bijstand overeenkomstig de daarvoor geldende verordening.

4.4. Het standpunt van appellante dat haar aanvraag spoort met de suggestie van de Commissie voor de bezwaarschriften tot verlening van bijstand in de vorm van een geldlening leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad verwijst op dit punt naar het verweerschrift van het College waarin op toereikende wijze is weerlegd dat aan voormelde suggestie gevolgen zouden moeten worden verbonden voor de onderhavige aanvraag.

4.5. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

NK