Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
08-5666 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering met ingang van 1 oktober 2006 voor de duur van een maand met 50%. Op grond van de feiten staat voor de Raad vast dat appellante niet bereid was een traject te volgen. Ten aanzien van de stelling van appellante dat aan haar geen re-integratiebeschikking is verzonden, heeft het College uiteengezet dat een dergelijke beschikking pas wordt verzonden wanneer de concrete inhoud van het traject kan worden vastgesteld en dat het in het geval van appellante niet zover is gekomen omdat zij haar medewerking aan een traject weigerde. Het College heeft de gedragingen van appellante gekwalificeerd als een gedraging van de vierde categorie als bedoeld in artikel 9 van de Maatregelenverordening, namelijk het niet gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. De Raad acht deze kwalificatie niet juist omdat, zoals uit 4.4 volgt, een concrete invulling van een traject niet heeft plaatsgevonden, zodat van een aangeboden voorziening niet kan worden gesproken. Het besluit van 13 februari 2007 is naar het oordeel van de Raad dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 13 februari 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het beroep van appellante op artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest niet kan slagen. De Raad maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne en verwijst in dit verband tevens naar zijn uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776. De Raad ziet aanleiding om met het oog op de finale beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Naar het oordeel van de Raad is sprake van een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 9 van de Maatregelenverordening, namelijk het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Bij die gedraging wordt ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Maatregelenverordening een verlaging van 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand toegepast. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond om aan te nemen dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt en geen dringende redenen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Maatregelenverordening, in welk geval van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien. Evenmin ziet de Raad grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin appellante verkeert aanleiding zouden moeten geven om met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening een lichtere maatregel op te leggen. Het voorgaande betekent dat de Raad het besluit van 4 oktober 2006 in zoverre zal herroepen dat de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2006 gedurende een maand met 10% wordt verlaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5666 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 augustus 2008, 07/312 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 20 oktober 2009, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het College heeft aan appellante vanaf 23 november 2004 bijstand ingevolge de Wet

werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend.

1.2. Volgens een rapport van 27 juni 2006 is aan appellante tijdens een gesprek op 31 mei 2006 een traject bij Perspectief op Werk, gericht op het opdoen van werkervaring, en een opleiding via Centrum Vakopleiding aangeboden. Bij brieven van 7 september 2006 en 13 september 2006 heeft het College appellante uitgenodigd voor een vervolggesprek over de invulling van een traject. Dit gesprek heeft op 18 september 2006 plaatsgevonden. Een rapport van 3 oktober 2006, waarin de rapporteur een verslag van het gesprek heeft opgenomen, vermeldt het volgende:

“(…) Ik heb haar wederom een aanbod gedaan, te weten een traject bij Weerwerk of het Centrum Vakopleiding. Mevrouw wil weer de hele discussie beginnen over waarom wij niet willen meewerken aan haar scholingsplan etc. (…) Uiteindelijk wil mevrouw niet op traject, ik leg uit dat indien zij niet meewerkt zij een maatregel van 50% kan verwachten. Mevrouw zegt dat dat dan maar moet. Ik heb haar nog een week bedenktijd gegeven, ik heb echter niets meer van haar vernomen. (…)”

1.3. Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2006 voor de duur van een maand met 50% verlaagd.

1.4. Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 oktober 2006 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante geen gebruik heeft gemaakt van door het College aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 februari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt - voor zover van belang - dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3. Ingevolge artikel 9 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Groningen (hierna: Maatregelenverordening) behoort het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling tot een gedraging van de tweede categorie. Tot de vierde categorie behoort het niet gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Maatregelenverordening leiden gedragingen van de tweede en vierde categorie er toe dat de bijstandsnorm gedurende een maand met 10 respectievelijk 50% wordt verlaagd.

4.4. Op grond van de onder 1.2 opgenomen feiten staat voor de Raad vast dat appellante niet bereid was een traject te volgen. Ten aanzien van de stelling van appellante dat aan haar geen re-integratiebeschikking is verzonden, heeft het College uiteengezet dat een dergelijke beschikking pas wordt verzonden wanneer de concrete inhoud van het traject kan worden vastgesteld en dat het in het geval van appellante niet zover is gekomen omdat zij haar medewerking aan een traject weigerde.

4.5. Het College heeft de gedragingen van appellante gekwalificeerd als een gedraging van de vierde categorie als bedoeld in artikel 9 van de Maatregelenverordening, namelijk het niet gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. De Raad acht deze kwalificatie niet juist omdat, zoals uit 4.4 volgt, een concrete invulling van een traject niet heeft plaatsgevonden, zodat van een aangeboden voorziening niet kan worden gesproken.

4.6. Het besluit van 13 februari 2007 is naar het oordeel van de Raad dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 13 februari 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

4.7. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het beroep van appellante op artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest niet kan slagen. De Raad maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne en verwijst in dit verband tevens naar zijn uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776.

4.8. De Raad ziet aanleiding om met het oog op de finale beslechting van het geschil met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Naar het oordeel van de Raad is sprake van een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 9 van de Maatregelenverordening, namelijk het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Bij die gedraging wordt ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Maatregelenverordening een verlaging van 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand toegepast. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond om aan te nemen dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt en geen dringende redenen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Maatregelenverordening, in welk geval van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien. Evenmin ziet de Raad grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin appellante verkeert aanleiding zouden moeten geven om met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening een lichtere maatregel op te leggen. Het voorgaande betekent dat de Raad het besluit van 4 oktober 2006 in zoverre zal herroepen dat de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2006 gedurende een maand met 10% wordt verlaagd.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Aangezien het besluit van 4 oktober 2006 gedeeltelijk wordt herroepen wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid en in bezwaar om vergoeding van de kosten in bezwaar is gevraagd, zal de Raad het College voorts veroordelen in de kosten van bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand. Het totaal aan te vergoeden kosten bedraagt daarom

€ 1.610,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 13 februari 2007;

Bepaalt dat de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2006 gedurende een maand met 10% wordt verlaagd;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad, in beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan appellante en in de kosten van bezwaar van appellante tot een bedrag van

€ 644,--, eveneens te betalen aan appellante;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

NK