Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
09-12-2009
Zaaknummer
08-3352 WMO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag fiets met elektrische trapondersteuning. De Raad is van oordeel dat de medische gedingstukken geen steun bieden voor het standpunt dat appellante op een fiets met een zware hulpmotor, zoals de aan appellante geoffreerde fiets met hulpmotor, is aangewezen. De Raad wijst er op dat de arts De Bekker in zijn advies van 7 mei 2007 heeft overwogen dat appellante is aangewezen op een fiets met trapondersteuning zonder zich uit te laten over de mate waarin deze ondersteuning medisch noodzakelijk is. De Raad moet het er onder die omstandigheden voor houden dat een normale trapondersteuning voor appellante toereikend is. Appellante heeft geen medisch advies ingebracht dat in een andere richting wijst. De Raad wijst voorts op de ter zitting onweersproken stelling van het College dat het ook bij een normale fiets met hulpmotor niet steeds nodig is om mee te trappen. Nu de Raad tevens van oordeel is dat een normaal geprijsde fiets met elektrische hulpmotor wel is aan te merken als een voor de persoon van de aanvrager algemeen gebruikelijke voorziening, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening, heeft appellante geen recht op de aangevraagde voorziening. Voor wat betreft het oordeel dat een fiets met elektrische hulpmotor een algemeen gebruikelijke voorziening is verwijst de Raad naar zijn vaste jurisprudentie onder de Wet voorzieningen gehandicapten, bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juni 2006 (LJN AT8647). Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 1
Wet maatschappelijke ondersteuning 4
Wet maatschappelijke ondersteuning 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/36

Uitspraak

08/3352 WMO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 28 april 2008, 07/1104 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kapelle (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2009. Namens appellante is verschenen mr. Martens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.C. van Oevelen, werkzaam bij de gemeente Kapelle.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op 19 april 2007 heeft appellante bij het College op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een fiets met elektrische trapondersteuning aangevraagd.

1.2. Het College heeft zich omtrent het medisch aspect van deze aanvraag laten adviseren door de verzekeringsarts J.A.C. de Bekker, werkzaam bij Stichting SAP. Deze heeft in het advies van 7 mei 2007 op grond van een huisbezoek, bestaande uit anamnese, onderzoek en observatie, geconcludeerd dat fietsen en lopen uitermate beperkt zijn. Vanuit medische optiek is er een indicatie voor een fiets met trapondersteuning.

1.3. Bij besluit van 21 mei 2007 heeft het College de aanvraag onder toepassing van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kapelle 2007 (hierna: Verordening) afgewezen, omdat een fiets met trapondersteuning een algemeen gebruikelijke voorziening is.

2.1. Appellante heeft tegen het besluit van 21 mei 2007 bezwaar gemaakt. Daarbij zijn verschillende medische stukken overgelegd, waaronder een verklaring van de huisarts Bakx van 26 juni 2007, waarin deze vermeldt dat de inspanningstolerantie van appellante buitengewoon beperkt, reëel, en hoofdzakelijk van fysieke oorsprong is. Gesteld is dat de aanvraag van appellante ziet op een fiets met een bijzondere motor, waardoor deze niet als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Ter onderbouwing van dat standpunt is een offerte overgelegd voor een Tavara geveerde fiets met een Antee PAS-vario elektrische ondersteuning van € 3.874,62. De kosten van een extra krachtige motor (€ 2.314,55) zijn daarbij inbegrepen.

2.2. Bij besluit van 25 september 2007 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 mei 2007 ongegrond verklaard. Het College stelt zich op het standpunt dat een fiets met trapondersteuning een algemeen gebruikelijke voorziening is en dat het feit dat de voorziening een speciale functie heeft in dit geval niet ter zake doet.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 september 2007 ongegrond verklaard.

3.2. Appellante heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

3.3. Het College heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar het medisch advies van Stichting SAP van 7 mei 2007, het subsidiaire standpunt betrokken dat appellante niet is aangewezen op de geoffreerde extra kostbare fiets met extra zware motor.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Artikel 1 van de Wmo luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…)

g. maatschappelijke ondersteuning (…)

5°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

6°. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer; (…).”

4.1.2. Artikel 4 van de Wmo luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1.Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: (…);

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.”

4.1.3. Artikel 5 van de Wmo luidt als volgt:

“1. De gemeenteraad stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

(…).”

4.2. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Kapelle uitvoering gegeven

door vaststelling van de Verordening. Deze luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1

In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder:

(…)

b. Compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie;

(…)

n. Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend.

(…)

Artikel 2

1. Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:

a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;

b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

(…)

2. Geen voorziening wordt toegekend:

a. indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is;

(…).”

4.3. In Bijlage 1 van de Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 van de gemeente Kapelle (hierna: Beleidsregels) staat de fiets met elektrische hulpmotor vermeld op de lijst van algemeen gebruikelijke voorzieningen.

4.4.1. De Raad stelt bij zijn beoordeling voorop dat een fiets met een zware elektrische hulpmotor die, zoals de aan appellante geoffreerde fiets, € 3.874,62 kost, ten tijde hier in geding, gegeven de hoogte van die aanschafprijs, niet zonder meer kan worden aangemerkt als een voor de persoon als aanvrager algemeen gebruikelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening. Deze aanschafprijs sluit immers niet uit dat die fiets naar de geldende maatschappelijke normen niet tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de persoon als aanvrager behoort. Dit betekent, dat de Beleidsregels verbindende kracht missen voor zover daarin bepaald is dat elke fiets met elektrische hulpmotor een algemeen gebruikelijke voorziening is.

4.4.2. Nu het College de aanvraag van appellante heeft afgewezen op de grond dat de aangevraagde voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening is, zonder - onder meer - een onderzoek te doen naar de vraag of de aangevraagde fiets met elektrische hulpmotor naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als appellante behoort, volgt uit hetgeen is overwogen onder 4.4.1 dat de beslissing op bezwaar van 25 september 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond en dat besluit dient te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak waarin dat besluit in stand is gelaten dient ook te worden vernietigd.

4.5. De Raad ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hij overweegt daarover het volgende.

4.6.1. De Raad is van oordeel dat de medische gedingstukken geen steun bieden voor het standpunt dat appellante op een fiets met een zware hulpmotor, zoals de aan appellante geoffreerde fiets met hulpmotor, is aangewezen. De Raad wijst er op dat de arts De Bekker in zijn advies van 7 mei 2007 heeft overwogen dat appellante is aangewezen op een fiets met trapondersteuning zonder zich uit te laten over de mate waarin deze ondersteuning medisch noodzakelijk is. De Raad moet het er onder die omstandigheden voor houden dat een normale trapondersteuning voor appellante toereikend is. Appellante heeft geen medisch advies ingebracht dat in een andere richting wijst. Aan de onder 2.1 genoemde verklaring van Bakx kan niet het door appellante beoogde gevolg worden verbonden, nu een buitengewoon beperkte inspanningstolerantie geen indicatie voor een extra zware motor impliceert. De Raad wijst voorts op de ter zitting onweersproken stelling van het College dat het ook bij een normale fiets met hulpmotor niet steeds nodig is om mee te trappen.

4.6.2. Nu de Raad tevens van oordeel is dat een normaal geprijsde fiets met elektrische hulpmotor wel is aan te merken als een voor de persoon van de aanvrager algemeen gebruikelijke voorziening, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening, heeft appellante geen recht op de aangevraagde voorziening. Voor wat betreft het oordeel dat een fiets met elektrische hulpmotor een algemeen gebruikelijke voorziening is verwijst de Raad naar zijn vaste jurisprudentie onder de Wet voorzieningen gehandicapten, bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juni 2006 (LJN AT8647). De Raad ziet geen reden om hierover onder de Wmo anders te oordelen.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Voor de gevraagde vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase is geen plaats, nu het besluit van 21 mei 2007 niet is herroepen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 25 september 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College tot vergoeding van proceskosten tot een bedrag van in totaal

€ 1.288,-- te betalen door de gemeente Kapelle;

Bepaalt dat de gemeente Kapelle het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

NW