Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
08-12-2009
Zaaknummer
07-3320 WIA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat betrokkene niet heeft aangetoond dat de in februari 2004 plaatsgevonden loonbetaling reeds in de referteperiode van februari 2003 tot en met januari 2004 vorderbaar was. Overigens, indien betrokkene dit wel zou hebben aangetoond, zou daarmee nog niet gegeven zijn dat de loonaanspraak niet inbaar was. Appellant heeft terecht de betreffende verdiensten uit overwerk niet betrokken bij de berekening van het dagloon. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat appellant in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, van de WIA en artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet de volledige waarde, maar uitsluitend de belaste waarde van de vakantiebonnen bij de berekening van het dagloon heeft betrokken. De Raad is voorts van oordeel dat in artikel 3, eerste lid, van het Besluit geen grondslag is te vinden voor het standpunt van betrokkene dat met betrekking tot de vakantiebonnen uitgegaan moet worden van de bedragen die betrokkene aan loon/vakantiebijslag tijdens de referteperiode heeft opgebouwd. Met betrekking tot vakantiebijslag en uitkeringen die het karakter hebben van een extra periodiek salaris worden op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit de in het refertejaar feitelijk uitbetaalde bedragen buiten de berekening van het dagloon gehouden. In plaats daarvan wordt bij de dagloonberekening rekening gehouden met het bedrag dat de werknemer heeft opgebouwd aan vakantiebijslag en aan uitkeringen in de vorm van extra periodiek salaris. Er bestaat geen grond om deze regels inzake de vakantiebijslag en het extra periodiek salaris uitkering rechtstreeks dan wel naar analogie van toepassing te achten op vakantiebonnen. Daarbij kan tevens worden verwezen naar artikel 1, tweede lid, van het Besluit en de Nota van Toelichting bij artikel 3, eerste lid, van het Besluit. Vernietiging uitspraak. Verklaart het beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 13
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3320 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 1 mei 2007, 06/2070 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 2 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Drachten, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Voor betrokkene is verschenen mr. Koekkoek. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaken 08/4709 WIA en 08/3386 WIA. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij (gecorrigeerd) besluit van 13 februari 2006 heeft appellant betrokkene vanaf

22 februari 2006 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend en daarbij de hoogte van het dagloon vastgesteld op € 107,73. Dit dagloon is onder meer gebaseerd op het loon dat betrokkene volgens opgave van zijn werkgever in de periode van 1 februari 2003 tot en met 31 januari 2004 heeft ontvangen. Dit besluit is na bezwaar bij besluit van 19 juli 2006 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 19 juli 2006 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Met toepassing van de dagloonregelen WAO en het Bijzonder Dagloonbesluit WAO heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant ten onrechte de in februari 2002 betaalde overwerkverdiensten niet heeft meegenomen in de berekening van de hoogte van het dagloon. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant de volledige waarde in plaats van de belastbare waarde van de vakantiebonnen had moeten betrekken bij de berekening van de hoogte van het dagloon.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het wettelijk kader

4.1. Met appellant stelt de Raad allereerst vast dat de rechtbank in het onderhavige geval ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de Dagloonregelen Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering en het Bijzonder dagloonbesluit WAO zoals die tot

1 januari 2006 luidden. Het dagloon dient in het onderhavige geval met toepassing van het per 29 december 2005 in werking getreden artikel 13 van de WIA en het daarop gebaseerde Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Stb. 2005, 246, hierna: Besluit) te worden vastgesteld.

De verdiensten uit overwerk

4.2. Zoals uit artikel 13, eerste lid, van de WIA en artikel 2, eerste lid, van het Besluit blijkt, is uitgangspunt bij de vaststelling van het dagloon, waarnaar een uitkering op grond van de WIA wordt berekend, het loon dat de verzekerde volgens opgaven van zijn werkgever daadwerkelijk heeft genoten in de voor hem van toepassing zijnde referteperiode. Nu de hier in geding zijnde loonbetaling voor de overwerkverdiensten in februari 2004 heeft plaatsgevonden, wordt betrokkene derhalve ingevolge deze hoofdregel geacht dit loon buiten de referteperiode van 1 februari 2003 tot en met 31 januari 2004 te hebben genoten.

4.3. De Raad is voorts van oordeel dat artikel 2, vierde lid, van het Besluit in het onderhavige geval niet toepassing is. De Raad stelt vast dat betrokkene niet heeft aangetoond dat de in februari 2004 plaatsgevonden loonbetaling reeds in de referteperiode van februari 2003 tot en met januari 2004 vorderbaar was. Overigens, indien betrokkene dit wel zou hebben aangetoond, zou daarmee nog niet gegeven zijn dat de loonaanspraak niet inbaar was.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellant terecht de betreffende verdiensten uit overwerk niet heeft betrokken bij de berekening van het dagloon.

De vakantiebonnen

4.5. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat appellant in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, van de WIA en artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet de volledige waarde, maar uitsluitend de belaste waarde van de vakantiebonnen bij de berekening van het dagloon heeft betrokken. Appellant is daarbij terecht uitgegaan van het loon dat in het refertejaar daadwerkelijk is genoten en door de werkgever aan appellant als premieplichtig loon is opgegeven. De omstandigheid dat de perioden, waarin in verband met vakantie geen of minder loon is uitbetaald wel zijn meegenomen in de berekening van het dagloon, terwijl de daarvoor bedoelde vakantiebonnen deels buiten beschouwing worden gelaten, levert geen grond op om in afwijking van het Besluit van een ander loonbedrag uit te gaan, omdat het Besluit niet in deze afwijkingsmogelijkheid voorziet.

4.6. De Raad is voorts van oordeel dat in artikel 3, eerste lid, van het Besluit geen grondslag is te vinden voor het standpunt van betrokkene dat met betrekking tot de vakantiebonnen uitgegaan moet worden van de bedragen die betrokkene aan loon/vakantiebijslag tijdens de referteperiode heeft opgebouwd. Met betrekking tot vakantiebijslag en uitkeringen die het karakter hebben van een extra periodiek salaris worden op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit de in het refertejaar feitelijk uitbetaalde bedragen buiten de berekening van het dagloon gehouden. In plaats daarvan wordt bij de dagloonberekening rekening gehouden met het bedrag dat de werknemer heeft opgebouwd aan vakantiebijslag en aan uitkeringen in de vorm van extra periodiek salaris. Er bestaat geen grond om deze regels inzake de vakantiebijslag en het extra periodiek salaris uitkering rechtstreeks dan wel naar analogie van toepassing te achten op vakantiebonnen. Daarbij kan tevens worden verwezen naar artikel 1, tweede lid, van het Besluit en de Nota van Toelichting bij artikel 3, eerste lid, van het Besluit.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. Onder vernietiging van de aangevallen uitspraak zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

mm