Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
08-5461 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Deugdelijke medische grondslag. Appellante heeft geen medisch stuk in het geding gebracht, dat een ander licht zou kunnen werpen op de medische beoordeling. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5461 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 5 augustus 2008, 07/1217 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Appellante is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen M.J. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster voor 38 uur per week. Vanwege whiplashklachten na een verkeersongeval is haar met ingang van 4 april 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid. Bij besluit van 29 mei 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 juli 2007 ingetrokken op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

1.3. Bij het besluit van 12 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 29 mei 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geconcludeerd dat de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 27 september 2007 opgenomen mogelijkheden en beperkingen berusten op een deugdelijke medische grondslag. Daartoe heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak als volgt overwogen, waar appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder:

“In artikel 18 van de WAO is - voor zover in dit verband van belang - bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dient dit artikel aldus te worden uitgelegd dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voorts is in de vaste jurisprudentie van de CRvB tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. Het gaat hierbij om de door de CRvB aanvaarde, van 19 september 1996 daterende, door verweerder op 2 april 1997 met terugwerkende kracht per 1 maart 1997 als uitvoerige werkinstructie voor verzekeringsartsen gehanteerde en later in het per 26 juli 2000 in werking getreden Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten opgenomen Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (de zogeheten Maoc-richtlijn). In de op de thans in geding zijnde datum geldende Schattingsbesluit 2004 is dit gehandhaafd. In paragraaf 4.6 van de Maoc-richtlijn, welke betrekking heeft op moeilijk objectiveerbare aandoeningen zoals bijvoorbeeld het post whiplashsyndroom, is vermeld dat het feit dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken van de klachten van de verzekerde kunnen worden aangetoond, niet betekent dat er geen stoornissen, beperkingen en handicaps kunnen bestaan. Om het bestaan van een uitzonderingsgeval als daar bedoeld te kunnen aannemen, moet echter zijn voldaan aan de (minimum-)eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Hetgeen eiseres is beroep heeft aangevoerd, noch de in dat kader door haar ingebrachte informatie heeft de rechtbank er van kunnen overtuigen dat met de beperkingen van eiseres onvoldoende rekening is gehouden. Haar stelling dat zij (veel) ernstiger beperkt is te achten dan vanwege verweerder is aangenomen, wordt niet onderbouwd door de medische gegevens die zij heeft overgelegd. De rechtbank neemt daarnaast nog in aanmerking dat de verzekeringsarts reeds rekening heeft gehouden met psychische beperkingen in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) en lichamelijke beperkingen, in het bijzonder ten aanzien van knie- en schouderklachten. Niet valt in te zien dat door de verzekeringsarts meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Ook heeft de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van het schrijven van 22 april 2008 van reumatoloog Vonkeman, een nadere motivering gegeven in een commentaar van 13 juni 2008 waarin nader ingegaan wordt op de diagnose fibromyalgie, de beperkingen die daaruit voortvloeien, alsmede de schouderklachten van eiseres. Vastert geeft in dit commentaar een motivering waarom geen aanleiding bestaat naar aanleiding van de brief van reumatoloog de beperkingen en mogelijkheden van eiseres anders in te schatten.”

2.2. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat afdoende is gemotiveerd dat de geduide functies geschikt zijn voor appellante. De rechtbank is niet gebleken dat de totaalbelasting van de geduide functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt.

3. Appellante heeft in hoger beroep volhard in haar stelling dat zij verder beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Naar haar mening zijn haar klachten en beperkingen niet serieus genomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank. Hij onderschrijft de onder 2.1 geciteerde overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit en de uitgangspunten die aan die overwegingen ten grondslag liggen. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep aannemelijk gemaakt dat haar belastbaarheid, gemeten naar objectieve maatstaven, meer of zwaarder beperkt is dan door het Uwv met de FML van 27 september 2007 is aangenomen. Noch in beroep noch in hoger beroep heeft appellante ter ondersteuning van haar standpunt een medisch stuk in het geding gebracht, die een ander licht zou kunnen werpen op de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling per de datum hier in geding, 30 juli 2007.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank voorts van oordeel dat de functies, die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL