Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5236

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
08-1123 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uwv heeft het hoger beroep ingetrokken. Met betrekking tot het door betrokkene gedane verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade overweegt de Raad dat artikel 21a van de Beroepswet niet de mogelijkheid biedt in hoger beroep, nadat het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken, toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb. Betrokkene zal zich met het verzoek om vergoeding van immateriële schade dienen te wenden tot het Uwv. Overschrijding redelijke termijn. Heropening onderzoek in verband met verzoek om schadevergoeding wegens de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) wordt aangemerkt als partij in die procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1123 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2008, 05/297 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 25 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 juli 2009 heeft het Uwv het hoger beroep ingetrokken.

Bij brief van 6 september 2009 heeft betrokkene verzocht om vergoeding van immateriële schade en om vergoeding van schade ten gevolge van de lange duur van de procedure.

Het Uwv heeft bij wijze van verweer bij brief van 16 september 2009 meegedeeld ter zake van schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn zich te refereren aan het oordeel van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden veroordeeld in de proceskosten.

1.2. Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

2. De Raad stelt vast dat het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken en dat betrokkene heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade en van schade ten gevolge van de lange duur van de procedure.

3.1. Met betrekking tot het door betrokkene gedane verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade overweegt de Raad dat artikel 21a van de Beroepswet niet de mogelijkheid biedt in hoger beroep, nadat het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken, toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 25 juni 2009, LJN BJ0790. Betrokkene zal zich met het verzoek om vergoeding van immateriële schade dienen te wenden tot het Uwv.

3.2. Voor dit geding ten overvloede en ter voorlichting van betrokkene overweegt de Raad dat voor zover betrokkene met zijn verzoek om immateriële schadevergoeding mede het oog heeft op een vergoeding overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat hij als gevolg van het bestreden besluit geestelijk leed heeft ondervonden, daarvan niet snel sprake zal zijn. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:106 van het BW moet immers worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.

4.1. Door betrokkene is gewezen op de lange duur van de procedure. Betrokkene heeft in dit verband verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.2. Mede in het licht van artikel 13 van het EVRM acht de Raad in artikel 21a van de Beroepswet geen beletsel gelegen om een verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn in deze procedure inhoudelijk te behandelen.

4.3. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

4.5. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. De aan de onderhavige zaak voorafgegane hoger beroepsprocedure is ingeleid met een besluit van 27 februari 2002, waarbij door het Uwv de aanvraag van betrokkene om vergoeding van fiscale schade is afgewezen. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van betrokkene eind maart 2002 tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en acht maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot het besluit op bezwaar van 30 december 2004 door het Uwv twee jaar en negen maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf het ontvangst van het beroepschrift op 18 januari 2005 tot de uitspraak van 2 januari 2008 bijna drie jaar geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 18 februari 2008 tot deze uitspraak één jaar en ruim negen maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

4.6. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bepaalt dat het onderzoek onder de nummers 09/6377 BESLUI en 09/6378 BESLUI wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

(get.) H. Bolt.)

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG