Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
09-276 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand: niet inleveren van gevraagde gegevens over inkomsten uit arbeid. De Raad: De werkzaamheden via Raakvlak zijn onmiskenbaar van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Het recht op bijstand kan wél worden vastgesteld aan de hand van de beschikbare informatie. Het College was bevoegd om de bijstand te herzien en bij de bepaling van de hoogte van de algemene bijstand over de betreffende maand met de inkomsten van appellant tot een bedrag van € 214,41 alsnog rekening te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/276 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 november 2008, 07/1003 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Slochteren (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Bakker, kantoorgenoot van mr. Van Braam. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant is met ingang van 25 april 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 18 augustus 2005 heeft het College het recht op bijstand van appellant met ingang van 25 april 2005 opgeschort wegens het ontbreken van de inkomstenverklaringen over de maanden april tot en met juli 2005. Appellant is daarbij verzocht deze inkomstenverklaringen alsnog voor 1 september 2005 in te leveren.

1.3. Bij besluit van 12 juni 2006 heeft het College de bijstand van appellant ingetrokken omdat hij de gevraagde gegevens niet voor 1 september 2005 heeft ingeleverd. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.4. Naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften gemeente Slochteren van 29 september 2006 heeft het College een nader onderzoek verricht naar het recht op bijstand van appellant. In dat kader heeft appellant op

10 mei 2007 tegenover twee medewerkers een verklaring afgelegd, die door hem en de beide medewerkers is ondertekend. Vervolgens heeft er op 25 juli 2007 nogmaals een gesprek met appellant plaatsgevonden. Van dit gesprek is geen schriftelijke, door appellant ondertekende, verklaring opgemaakt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 26 juli 2007.

1.5. Bij besluit van 22 augustus 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2006 gegrond verklaard en dat besluit gewijzigd in die zin dat aan de intrekking ten grondslag is gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, omdat uit onderzoek is gebleken dat appellant productieve arbeid heeft verricht, onder andere door het helpen opbouwen van (muziek)podia bij een band, waarbij achteraf de omvang van de werkzaamheden niet kan worden vastgesteld. Het College heeft voorts de intrekking van bijstand met ingang van 25 april 2005 gewijzigd in een intrekking van bijstand over de periode van 25 april 2005 tot en met 30 november 2005.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2. Appellant stelt dat hij in de periode van 25 april 2005 tot en met 30 november 2005 geen productieve arbeid heeft verricht en daarom ook zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hij heeft wel activiteiten verricht via Raakvlak, een verloningsservice voor artiesten, maar deze activiteiten kunnen volgens hem gelet op hun aard, geringe omvang en het verstrekken van een minimale onkostenvergoeding, redelijkerwijs niet als relevante productieve arbeid aangemerkt worden.

4.3. De Raad is van oordeel dat de werkzaamheden van appellant via Raakvlak onmiskenbaar van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat dit appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn. Het had derhalve op de weg van appellant gelegen om deze activiteiten onverwijld te melden. Nu appellant dit heeft nagelaten is er sprake van schending van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB.

4.4. De Raad is echter, anders dan het College, van oordeel dat ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand wél vastgesteld kan worden. De Raad overweegt hiertoe dat uit de zich bij de gedingstukken bevindende informatie van Raakvlak blijkt dat appellant op 6 en 13 augustus 2005 werkzaamheden heeft verricht waarvoor hij in totaal een bedrag van € 214,41 heeft ontvangen. Deze informatie komt overeen met hetgeen appellant hierover op 10 mei 2007 heeft verklaard en met de door het College op 23 mei 2007 telefonisch ingewonnen informatie bij Raakvlak. Deze middelen dienen naar het oordeel van de Raad aangemerkt te worden als inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. Dat er ten tijde van belang sprake zou zijn geweest van meer op geld waardeerbare activiteiten is de Raad niet gebleken. Weliswaar heeft het College in het rapport van 26 juli 2007 onder punt 19 vermeld dat appellant op 25 juli 2007 zou hebben verklaard in 2005 voor meerdere bands werkzaamheden te hebben verricht, maar appellant betwist dat hij overeenkomstig deze passage zou hebben verklaard. Nu de betreffende passage niet wordt ondersteund door een schriftelijke verklaring van appellant en uit de passage ook niet blijkt welke vragen precies zijn gesteld en welke antwoorden daarop zijn gegeven, ziet de Raad in deze passage geen aanleiding om van meer activiteiten uit te gaan dan de hiervoor genoemde activiteiten voor Raakvlak op 6 en 13 augustus 2005.

4.5. Uit hetgeen onder 4.4 is overwogen volgt dat het College niet bevoegd was om de bijstand van appellant over de periode van 25 april 2005 tot en met 30 november 2005 in te trekken. Gelet op de alsnog verkregen inlichtingen ten aanzien van de activiteiten voor Raakvlak was het College slechts bevoegd om de bijstand over de maand augustus 2005 op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB te herzien door op grond van artikel 19, tweede lid, van de WWB bij de bepaling van de hoogte van de algemene bijstand over die maand met de inkomsten van appellant tot een bedrag van € 214,41 alsnog rekening te houden. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik zou kunnen maken.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 22 augustus 2007 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts ziet de Raad aanleiding om gebruik te maken van de hem ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toekomende bevoegdheid en te bepalen dat, onder herroeping van het primaire besluit van 12 juni 2006, de bijstand van appellant over de maand augustus 2005 wordt herzien door over die maand alsnog rekening te houden met inkomsten ter hoogte van € 214,41.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 22 augustus 2007;

Herroept het besluit van 12 juni 2006;

Bepaalt dat de bijstand van appellant over augustus 2005 wordt herzien door over die maand alsnog rekening te houden met inkomsten ter hoogte van € 214,41;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.L.G. Boot.

mm