Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5152

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
07-6841 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand op grond van de overweging dat appellant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt door een adres op te geven waar hij niet werkelijk woont, zodat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (reeds) in deze periode feitelijk woonde op het adres van zijn dochter en schoonzoon te [woonplaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6841 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s Hertogenbosch van 19 november 2007, 07/386 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.C.M. Schaeken, advocaat te Eersel, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Appellant is verschenen. Het College heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant woonde met zijn partner in de gemeente Bergeijk en ontving van die gemeente bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 30 augustus 2006 heeft appellant zich gemeld bij het CWI, waarna hij op 5 september 2006 bij het College een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Daarbij heeft hij gesteld dat hij de samenwoning met zijn partner had verbroken en zijn intrek had genomen bij zijn dochter en schoonzoon te [woonplaats].

1.2. Bij besluit van 16 oktober 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 december 2006, heeft het College deze aanvraag afgewezen op grond van de overweging dat appellant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt door een adres op te geven waar hij niet werkelijk woont, zodat zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 december 2006 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige inlichtingen over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Waar het gaat om een aanvraag, rust op hem de (bewijs)last om aannemelijk te maken dat hij woont op het door hem gestelde adres.

4.2. Volgens vaste rechtspraak loopt de te beoordelen periode in een geval als het onderhavige vanaf de datum van de melding bij het CWI tot en met de datum van het primaire besluit, hier dus van 30 augustus 2006 tot en met 16 oktober 2006.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (reeds) in deze periode feitelijk woonde op het adres van zijn dochter en schoonzoon te [woonplaats]. De Raad onderschrijft de hierop betrekking hebbende overwegingen in de aangevallen uitspraak. Hij kent met name betekenis toe aan de bevindingen tijdens het op 2 oktober 2006 afgelegde huisbezoek, welke bevindingen op belangrijke punten (kleding, post, eigen matras) afweken van de vooraf door appellant geschetste situatie, alsmede aan de omstandigheid dat appellant volgens zijn eigen verklaring nog enkele malen de nacht had doorgebracht in de woning van zijn gewezen echtgenote. Dat aan appellant per 24 oktober 2006 dus na de hier ter beoordeling staande periode alsnog bijstand is toegekend, leidt niet tot een ander oordeel. Naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, was de feitelijke situatie toen wezenlijk veranderd.

4.4. Dit betekent dat het College de bijstand op goede gronden heeft geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.L.G. Boot.

mm