Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
08-5234 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afstemming bijstand, all-in-norm; bestedingsvrijheid.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 18, geldigheid: 2009-11-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/10
RSV 2010, 20
JWWB 2010, 22

Uitspraak

08/5234 WWB (Rectificatie)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 juli 2008, 07/5158 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. de Jong, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand sedert 1983, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2. Nadat tijdens een heronderzoek uit de bankafschriften over de periode januari 2006 tot en met april 2006 was gebleken dat er slechts drie maal betalingen zijn gedaan ten behoeve van de kosten van levensonderhoud, heeft het Team Fraudebestrijding een nader onderzoek naar de financiële situatie van appellante ingesteld. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 augustus 2006. De resultaten van het onderzoek waren voor het College aanleiding om bij besluit van 17 augustus 2006 de bijstand te beëindigen (lees: in te trekken) met ingang van 1 augustus 2006 op de grond dat appellante niet de informatie heeft verstrekt die noodzakelijk is voor de voorzetting van de verlening van bijstand.

1.3. Bij besluit van 9 november 2006, voor zover hier van belang, heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 17 augustus 2006 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en - met een verwijzing naar artikel 18 van de WWB - bepaald dat met ingang van 1 augustus 2006 de hoogte van de bijstand € 700,-- per maand bedraagt.

1.4. Bij uitspraak van de rechtbank van 1 juni 2007, 06/6127, heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 november 2006 wegens een motiveringsgebrek vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Partijen hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.5. Bij besluit van 1 november 2007 heeft het College, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2006 wederom gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Het College heeft verder wederom bepaald dat de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2006 wordt herzien in die zin dat de hoogte van de bijstand wordt vastgesteld op een bedrag van € 700,-- per maand. Daartoe heeft het College overwogen dat appellante in de gehele periode januari 2006 tot en met mei 2007 nauwelijks uitgaven voor levensmiddelen, persoonlijke verzorgingsproducten en kleding heeft gehad, dat zij voor dergelijke uitgaven door haar familie wordt onderhouden, dat de bijstand met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB op die situatie wordt afgestemd en aan appellante slechts bijstand wordt verleend voor aantoonbare vaste lasten en tot een bedrag van € 75,-- voor persoonlijke uitgaven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 18, eerste lid, van de WWB houdt voor het college de verplichting in om de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Genoemde bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Deze verplichting kan meebrengen dat een verlaging van de uitkering dan wel van de toeslag is aangewezen. De Raad heeft reeds eerder overwogen (zie zijn uitspraken van 3 januari 2006, LJN AU9217, en 2 december 2008, LJN BG5928) dat voor een dergelijke verlaging slechts plaats is in zeer bijzondere situaties.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat appellante in de periode die onmiddellijk voorafgaat aan het primaire besluit van 17 augustus 2006 weinig geld uitgaf aan levensmiddelen en toiletartikelen. Evenmin is in geschil dat appellante vaak bij familieleden (moeder, zus, dochters) at en dat zij bij haar verjaardag en bij feestdagen toiletartikelen van haar familieleden cadeau kreeg en op deze wijze in staat werd gesteld haar uitgaven voor levensmiddelen en toiletartikelen beperkt te houden.

4.3. Anders dan de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat de in de vorige overweging vermelde feiten en omstandigheden geen zeer bijzondere situatie opleveren die met ingang van 1 augustus 2006 een verlaging van de bijstand tot een bedrag van € 700,-- per maand rechtvaardigt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat algemene bijstand wordt verleend naar een all-in-norm, hetgeen impliceert dat degene die algemene bijstand ontvangt de vrijheid heeft de bijstand te besteden op een wijze die hem goeddunkt. Appellante heeft van die keuzevrijheid gebruik gemaakt om met de hiervoor omschreven, niet met bijstandsverlening onverenigbaar te achten hulp van familieleden haar uitgaven voor levensmiddelen en toiletartikelen beperkt te houden zodat zij de daardoor bespaarde bijstand op een andere wijze kon besteden.

4.4. De Raad is op grond van het bovenstaande van oordeel dat het besluit van 23 juli 2007 niet op een deugdelijke motivering berust en derhalve in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend, hetgeen ertoe leidt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrond verklaring van het beroep - het besluit van 1 november 2007 vernietigen, behoudens voor zover daarbij het besluit van 17 augustus 2006 is herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 1 november 2007, behoudens voor zover daarbij het besluit van 17 augustus 2006 is herroepen;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan appellante en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) .L.G. Boot.

DW