Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
08-5466 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen reden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. Appellant was niet onder medische behandeling voor zijn psychische klachten. De nader beschikbaar gekomen medische informatie bevat volgens de bva geen aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellant te kunnen volgen in zijn opvatting dat zijn beperkingen in onvoldoende mate zijn erkend. De gezondheidssituatie begin 2009 kan echter voor de thans in geding zijnde datum niet van doorslaggevende betekenis zijn. Geen aanleiding tot onderzoek door een onafhankelijk deskundige op psychisch gebied. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5466 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2008, 07/3456 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 oktober 2009 heeft appellant nadere stukken ingediend waarop door het Uwv bij brief van 19 oktober 2009 is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de onderdelen 2.1 en 2.2 van de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij besluit van 30 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 1 mei 2007, nadat daartegen bezwaar was gemaakt, gehandhaafd. Bij dit besluit heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 2 juli 2007 herzien van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt is voor werkzaamheden, verbonden aan de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies, waardoor er vanaf het beoordelingsmoment een verlies aan verdienvermogen is tussen 15 en 25%.

2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het door appellant daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant meent dat onvoldoende rekening is gehouden met de informatie van zijn behandelend medisch specialisten, de gevolgen van zijn medicijngebruik en zijn psychische conditie. Hervatting in voltijd acht hij niet realistisch. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat hij sinds maart 2009 weer volledig arbeidsongeschikt is geacht vanwege zijn psychische klachten en dat het Uwv in verband daarmee binnenkort een deskundigenadvies zal inwinnen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen reden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten.

4.2. Nadat appellant in februari 2007 medisch was onderzocht door de verzekeringsarts O.L. Zuiderhoek, zijn in de bezwaarfase brieven uit juli en september 2007 van zijn revalidatiearts H.G.A. Hacking, zijn reumatologe C. van Booma-Frankfort en zijn internist-reumatoloog S.A. Vreugdenhil beschikbaar gekomen. Appellant was niet onder medische behandeling voor zijn psychische klachten. De nader beschikbaar gekomen medische informatie bevat volgens bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel (die de hoorzitting naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft bijgewoond en het dossier heeft bestudeerd) geen aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellant te kunnen volgen in zijn opvatting dat zijn beperkingen in onvoldoende mate zijn erkend. Hierbij heeft hij in aanmerking genomen dat de door Vreugdenhil voorgeschreven medicatie in 2006 en 2007 is aangepast onder andere vanwege de bijwerkingen daarvan. De Raad heeft, gelet op alle aanwezige gegevens, waaronder ook het advies van 28 december 2007 dat in de beroepsfase aan de gemachtigde van appellant is uitgebracht (rapport op basis van dossieronderzoek van R. Westerweel en G.M.A. Clauwaert), geen grond om de door het Uwv vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. Naar aanleiding van de door appellant in oktober 2009 ingezonden (in rubriek I genoemde) stukken merkt de Raad op dat deze zien op zijn gezondheidssituatie begin 2009, welke toen nader is beoordeeld na een ziekmelding. Deze situatie, die nog nader onderzocht zal worden, kan echter voor de thans in geding zijnde datum niet van doorslaggevende betekenis zijn.

4.3. Voor een verdergaand onderzoek naar de datum van 2 juli 2007 door een onafhankelijk deskundige op psychisch gebied, zoals door appellant is verzocht, ziet de Raad gelet op hetgeen in 4.2 is overwogen, geen aanleiding.

4.4. Aan het bestreden besluit ligt voorts ten grondslag dat appellant de functies van archiefmedewerker/medewerker bibliotheek (Sbc-code 315130), wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050) en productiemedewerker industrie (samensteller producten) (Sbc-code 111180) zou kunnen vervullen. De Raad is van oordeel dat deze functies in medisch opzicht op 2 juli 2007 voor appellant geschikt konden worden geacht, gelet op de vastgestelde functionele beperkingen en de daarbij gegeven arbeidskundige toelichtingen.

4.5. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

IvR