Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
08-728 WWB + 08-729 WWB + 08-734 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen bankrekening. Overschrijding vrij te laten vermogen. De Raad neemt (...) in aanmerking dat de bestemming van het banksaldo van de op zijn naam staande bankrekening niet relevant is, nu vaststaat dat appellant de beschikking had over het voornoemde saldo op de bankrekening. Het enkele feit dat appellant, naar hij aanvoert, een wettelijke onderhoudsverplichting jegens zijn dochter heeft, maakt dit niet anders.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 17
Participatiewet 54
Participatiewet 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/9

Uitspraak

08/728 WWB

08/729 WWB

08/734 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 december 2007, 07/181, 07/3213 en 07/6099 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Voor appellant is mr. Janszen verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. de Vos, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 25 januari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst heeft het College een onderzoek ingesteld naar de op naam van appellant staande bankrekeningen. Daaruit is gebleken dat op het moment van aanvang van de bijstand op één van de bankrekeningen van appellant bij de ING Bank een bedrag van € 10.000,-- stond.

1.3. Bij besluit van 26 april 2006 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 25 januari 2004 tot en met 19 november 2004 ingetrokken en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 4.935,-- van appellant teruggevorderd. Het College heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting verzuimd heeft het College mededeling te doen van het feit dat hij op 25 januari 2004 beschikte over vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen.

1.4. Bij besluit van 21 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover in de onderhavige procedure van belang - het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is - en evenals de rechtbank gaat ook de Raad daarvan uit - dat appellant gedurende de in geding zijnde periode beschikte over vermogen in de vorm van een banktegoed dat de destijds voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed.

4.2. Appellant heeft in hoger beroep als enige grief aangevoerd dat het op zijn bankrekening staande saldo bestemd was voor zijn studerende dochter.

4.3. Die grief treft geen doel. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bestemming van het banksaldo van de op zijn naam staande bankrekening niet relevant is, nu vaststaat dat appellant de beschikking had over het voornoemde saldo op de bankrekening. Het enkele feit dat appellant, naar hij aanvoert, een wettelijke onderhoudsverplichting jegens zijn dochter heeft, maakt dit niet anders.

4.4. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.L.G. Boot.

mm