Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
07-5090 AOW + 07-6080 AOW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning AOW-pensioen, waarop een korting is toegepast wegens niet verzekerde jaren. Met nader besluit niet geheel tegemoet gekomen. Uitsluiting van de verzekering wegens het uitsluitend verrichten van arbeid buiten Nederland gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden. Bevestiging aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5090 AOW

07/6080 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2007, 07/480 en 07/622, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 12 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft van verweer gediend, waarop door appellant is gereageerd.

Bij schrijven van 24 oktober 2007 heeft de rechtbank Rotterdam aan de Raad een door de Svb genomen nieuw besluit op bezwaar doorgestuurd, gedateerd 23 augustus 2007.

Door appellant zijn de gronden van het beroep aangevuld en zijn nadere stukken ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellant is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij formulier gedagtekend 24 december 2004 heeft appellant, geboren 18 mei 1940, een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een alleenstaande aangevraagd. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij tot 31 maart 2003 (steeds) in Nederland heeft gewoond, van 1 april 2003 tot 21 april 2003 in China, en daarna tot op heden weer in Nederland. Appellant heeft verder opgegeven dat hij van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 in Nigeria heeft gewerkt. Blijkens een Rapport Klantcontact gedateerd 21 maart 2005 heeft appellant aangegeven dat hij in China in loondienst was bij een Chinese werkgever.

1.2. Bij besluit van 29 maart 2005 heeft de Svb aan appellant, ingaande mei 2005, een pensioen op grond van de AOW toegekend, waarop een korting is toegepast van 6% wegens, afgerond, drie niet verzekerde jaren. Daarbij gaat het om de perioden van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 en van 1 april 2003 tot en met 21 april 2003. Verder is in aanmerking genomen dat appellant, omdat hij na zijn 59e verjaardag niet, al dan niet met tussenpozen, gedurende zes jaren in Nederland heeft gewoond, geen recht heeft op de zogenoemde overgangsvoordelen (de periode 18 mei 1955 tot 1 januari 1957).

1.3. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant herhaald dat hij, met uitzondering van een periode in april 2003, steeds in Nederland heeft gewoond. Appellant merkt verder op dat hij (slechts) van 1 juni 1999 tot en met 31 december 2000 en van 1 januari 2003 tot en met 21 april 2003 in het buitenland heeft gewerkt. Volgens appellant heeft hij over de jaren 1999, 2000 en 2003 premies en belasting in Nederland betaald. Vanaf 14 oktober 2003 heeft appellant een uitkering gehad van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.4. Op 8 juni 2005 is een hoorzitting gehouden. Met betrekking tot het jaar 2003 is door appellant aangegeven dat hij vanaf begin januari werkzaam was in China als directeur van een bedrijf. Hij dacht in China een goede toekomst te kunnen opbouwen. Eind maart 2003 is hij naar Nederland gekomen om een operatie te ondergaan en om agentschappen te bezoeken. Daarna is hij teruggekeerd naar China, waar hij drie en een halve maand in coma heeft gelegen. Hierdoor is het bedrijf van appellant failliet gegaan en is hij teruggekomen naar Nederland. Ter hoorzitting is afgesproken dat appellant een aantal stukken zal aanleveren, waaronder het monsterboekje en de belastingaangiften over de jaren 1999 en 2000.

2. Bij besluit van 30 november 2005 (hierna: besluit 1) heeft de Svb beslist op het bezwaar van appellant. Daarbij is onder meer overwogen dat uit het monsterboekje blijkt dat appellant, met korte onderbrekingen, van 18 december 1998 tot 20 augustus 2000 in Nigeria heeft gewerkt voor een in Nigeria gevestigde werkgever. Uit de belastingaangiften blijkt dat appellant in 1999 en 2000 uitsluitend buiten Nederland werkzaam is geweest. Uit informatie van de belastingdienst blijkt verder dat over die jaren geen premie AOW is betaald. Onder verwijzing naar artikel 12 van het Besluit Uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746, hierna: KB 746) waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat degene die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, waarbij korte, tijdelijke, onderbrekingen, bijvoorbeeld wegens ziekte of verlof, worden beschouwd als perioden waarin uitsluitend buiten Nederland arbeid wordt verricht, niet verzekerd is voor de volksverzekeringen, concludeert de Svb dat appellant in de jaren 1999 en 2000 niet verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen. Het besluit van 29 maart 2005 wordt gehandhaafd.

3.1. Uit (nadere) informatie van de belastingdienst is de Svb gebleken dat appellant als kapitein heeft gewerkt van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 in Nigeria en van 1 april 2002 tot en met 31 december 2002 in China. Over de periode 1 januari 2003 tot en met 13 oktober 2003 wordt aangegeven dat appellant werkzaam was in China.

3.2. Bij besluit van 5 september 2006 is de korting op het pensioen ingevolge de AOW van appellant, vanaf mei 2005, vastgesteld op 10% wegens, afgerond vijf niet verzekerde jaren. Als niet verzekerd zijn aangemerkt de perioden van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 en van 1 april 2002 tot en met 13 oktober 2003. Overwogen wordt verder dat appellant geen recht heeft op de overgangsvoordelen.

3.3. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant aangevoerd dat hij sinds april 1988 tot heden in Rotterdam woont. En verder dat hij wel in het buitenland heeft gewerkt, maar in Nederland belasting en premies heeft betaald. Bijgevoegd is een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie Rotterdam, waarin is aangegeven dat appellant, afgezien van de periode van 1 april 2003 tot en met 21 april 2003 (toen hij in China woonde), steeds in Rotterdam heeft gewoond. Op 6 februari 2007 is een hoorzitting gehouden. Door appellant is daarbij opgemerkt dat hij drie jaar niet verzekerd is geweest. Hij heeft een teruggave van de belastingdienst gekregen via zijn accountant met als gevolg dat hij de AOW-premie niet heeft betaald.

4. Nadat appellant beroep had ingesteld tegen besluit 1, is bij besluit van 15 februari 2007 (hierna: besluit 2) het bezwaar tegen het besluit van 5 september 2006 ongegrond verklaard.

5.1. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

5.2. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank gehouden op 1 augustus 2007 heeft de gemachtigde van de Svb verklaard dat besluit 1, en het daaraan ten gronde liggende primaire besluit, bij het besluit van 5 september 2006 zijn ingetrokken. De gemachtigde merkt verder op dat het besluit van 15 februari 2007 niet wordt gehandhaafd. Bij nadere beschouwing wordt appellant de gehele periode van zes jaar voorafgaande aan zijn 65e verjaardag als ingezetene aangemerkt, zodat hij recht heeft op de overgangsvoordelen.

5.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant, nu hij niet heeft gesteld dat hij tengevolge van de besluitvorming van de Svb schade heeft geleden, geen belang heeft bij een vernietiging van besluit 1. Op die grond wordt het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen besluit 2 wordt gegrond verklaard, nu de Svb de onjuistheid van dit besluit heeft erkend. De Svb wordt opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

5.4. Bij besluit van 23 augustus 2007 heeft de Svb opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Het bezwaar wordt gegrond verklaard. De korting op het pensioen ingevolge de AOW van appellant wordt vastgesteld op zes procent wegens, afgerond, drie niet verzekerde jaren. Het betreft de perioden van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 en van 1 april 2002 tot en met 13 oktober 2003. Aan dit besluit heeft de Svb ten gronde gelegd de eigen verklaringen van appellant, de gegevens uit het monsterboekje, de belastingaangiften van appellant uit de jaren 1999 en 2000 en de informatie verkregen van de belastingdienst.

6.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet ook het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond heeft verklaard en dit besluit heeft vernietigd. Ten gronde heeft appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald.

6.2. De Raad oordeelt als volgt.

6.3. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat appellant niet heeft gesteld dat hij tengevolge van het bestreden besluit 1 schade heeft geleden, zodat, nu dit besluit is ingetrokken bij besluit 2 en de gronden die appellant had aangevoerd tegen besluit 1 in het beroep tegen dit besluit volledig aan de orde konden komen, appellant geen belang meer had bij een beoordeling van zijn beroep tegen besluit 1 door de rechtbank. Het beroep tegen besluit

1 is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard, zodat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak in zoverre niet slaagt.

6.4. Bij besluit gedateerd 23 augustus 2007 heeft de Svb opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Nu dit besluit niet (geheel) aan het beroep van appellant tegemoet komt zal de Raad, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 juncto 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens een oordeel geven over dit besluit.

6.5. Tussen partijen is in geschil de korting die de Svb heeft toegepast op de AOW-uitkering van appellant en de daaraan ten gronde gelegde niet-verzekerde perioden.

6.6. Met betrekking tot dit geschilpunt komt de Raad tot de volgende beoordeling. Ten aanzien van de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 kan de Raad zich volledig vinden in de beslissing van de Svb en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen. De Raad merkt daarbij nog op dat blijkens het aanvraagformulier gedateerd 24 december 2004 appellant zelf heeft opgegeven dat hij van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 in Nigeria heeft gewerkt. Met betrekking tot de periode van april 2002 tot 13 oktober 2003 wijst de Raad primair op de gegevens van de belastingdienst, waaruit blijkt dat appellant vanaf april 2002 in China in dienstbetrekking heeft gewerkt. De Raad voegt hieraan toe dat appellant zelf heeft verklaard dat hij vanaf begin 2003 werkzaam was in China als directeur van een bedrijf. Na zijn (tijdelijke) terugkeer naar Nederland eind maart 2003 is appellant in april 2003 weer teruggekeerd naar China. Na het faillissement van het bedrijf, waarbij hij werkzaam was, is hij in het najaar van 2003 definitief teruggekeerd naar Nederland. Ook naar het oordeel van de Raad kan uit deze feiten niet anders geconcludeerd worden dan dat appellant ook in deze periode voldoet aan de voorwaarden geformuleerd in artikel 12 van KB 746 voor uitsluiting van de verzekering wegens - kort gezegd - het uitsluitend verrichten van arbeid buiten Nederland gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden.

6.7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen de aangevallen uitspraak en het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2007 vergeefs zijn ingesteld.

7. De Raad is van oordeel dat er geen grond bestaat om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

mm