Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5102

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
08-4023 AWBZ
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen tegemoetkoming meer op grond van de TOG 2000. Score van vier punten (één punt voor gedrag, twee punten voor alleen thuis zijn, en één punt voor bezighouden/handreikingen) zodat de zoon niet aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd. Door zich in de aangevallen uitspraak te beperken tot de vraag of de SVB bij het toekennen van een totale score van vijf punten in redelijkheid uitvoering heeft gegeven aan zijn beleid en de desbetreffende artikelen van de TOG 2000 juist heeft toegepast heeft de rechtbank (...) een onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd. Vernietiging aangevallen uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4023 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 juni 2008, 08/100 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB)

Datum uitspraak: 1 december 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2009. Appellant is verschenen. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en drs. G.A.C.G. Durlinger, bezwaarverzekeringsarts.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft de SVB aan appellant op grond van de Regeling tegemoetkoming thuiswonende gehandicapte kinderen 2000 (hierna: TOG 2000) vanaf 1 oktober 2003 een tegemoetkoming van € 199,28 per kwartaal toegekend ten behoeve van zijn zoon [naam zoon] (geboren [in] 1993). [naam zoon] is bekend met het syndroom van Asperger. Hij bezoekt het reguliere voortgezette onderwijs op VWO-niveau met behulp van een leerlinggebonden budget, het zogeheten “rugzakje”.

1.2. Naar aanleiding van een heronderzoek naar het recht op de tegemoetkoming heeft ClientFirst Intermediairs te Zeist (hierna: ClientFirst) bij brief van 22 augustus 2007 desgevraagd aan de SVB een medisch advies uitgebracht met betrekking tot de zorgbehoefte van [naam zoon]. Geconcludeerd is dat [naam zoon] bij een leeftijd van 14 jaar en drie maanden een score van vier punten heeft (één punt voor gedrag, twee punten voor alleen thuis zijn, en één punt voor bezighouden/handreikingen) zodat hij niet aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd. Vervolgens heeft de SVB appellant bij besluit van 3 september 2007 meegedeeld dat hij met ingang van het vierde kwartaal van 2007 geen recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000. Het aantal punten dat ClientFirst voor [naam zoon] heeft bepaald ligt onder het vereiste minimumaantal van zes punten.

1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 22 augustus 2007 bezwaar gemaakt. Volgens hem is ten onrechte één punt voor gedrag en één punt voor bezighouden/handreikingen toegekend. Daarnaast heeft [naam zoon] communicatieproblemen.

1.4. Naar aanleiding van het bezwaar heeft ClientFirst desgevraagd bij brief van 23 november 2007 opnieuw een medisch advies aan het SVB uitgebracht. Geconcludeerd is dat [naam zoon] ook in aanmerking komt voor één punt voor lichaamshygiëne, zodat de totale score vijf punten is.

1.5. Bij besluit van 11 december 2007 heeft de SVB het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2007 ongegrond verklaard. De SVB heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de zorg voor het gedrag van [naam zoon] tot uitdrukking is gebracht met één punt. Bij het aandachtsgebied communicatie gaat het om beperkingen in de gesproken taal voor het verloop van de basale communicatie, waarvan bij [naam zoon] geen sprake is. De omstandigheid dat [naam zoon] niet alleen thuis kan zijn is tot uitdrukking gekomen in een score van twee punten. De extra zorg voor aansporing van [naam zoon] om de dagelijkse handelingen zelf uit te voeren is tot uitdrukking gebracht in een score van één punt op de gebieden lichaamshygiëne en bezigheden/handreikingen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 11 december 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de SVB, gelet op de beoordelingsruimte die hem toekomt, bij het toekennen van een totale score van vijf punten in redelijkheid uitvoering heeft gegeven aan zijn beleid en de desbetreffende artikelen van de TOG 2000 juist heeft toegepast.

3. Appellant kan zich ook in hoger beroep niet verenigen met de score voor de onderdelen gedrag, communicatie en bezighouden/handreikingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad overweegt - ambtshalve - dat aan de SVB geen beoordelingsvrijheid toekomt bij de uitleg van de TOG 2000. Noch de tekst van de TOG 2000, noch de toelichting hierbij geven daartoe aanleiding. Dit betekent dat de toepassing van de TOG 2000 door de SVB en de uitleg die de SVB aan de TOG 2000 in zijn beleidsregels geeft vol getoetst dient te worden. Voor een marginale of terughoudende toetsing is dan ook geen plaats. Door zich in de aangevallen uitspraak te beperken tot de vraag of de SVB bij het toekennen van een totale score van vijf punten in redelijkheid uitvoering heeft gegeven aan zijn beleid en de desbetreffende artikelen van de TOG 2000 juist heeft toegepast heeft de rechtbank derhalve een onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd.

De aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

4.2.1. In artikel 2 van de TOG 2000 is bepaald dat als kind wordt aangemerkt een persoon tussen de 3 en 18 jaar, die ernstig beperkt is in het dagelijks functioneren als gevolg van een ziekte of stoornis van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard waardoor hij blijvend of voorlopig blijvend gehandicapt is.

4.2.2. In artikel 3 van de TOG 2000 is - kort gezegd - bepaald dat als (voorlopig) blijvend gehandicapt wordt aangemerkt het kind dat (a) aanzienlijk meer afhankelijk is van geregelde verzorging en oppassing dan een gezond kind van dezelfde leeftijd en (b) aanspraak kan maken op opname in een AWBZ-instelling.

4.2.3. In artikel 4, eerste lid, van de TOG 2000 is bepaald dat de natuurlijke persoon die hier te lande woont en tot wiens huishouden het kind hier te lande op de peildag behoort, over dat kalenderkwartaal recht heeft op een tegemoetkoming in de onderhoudskosten van dat kind op grond van deze regeling.

4.2.4. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de TOG 2000 wint de SVB, om te bepalen of het kind gehandicapt is, medisch advies in bij een organisatie waarmee de Minister van VWS heeft ingestemd. Om te bepalen of het kind nog steeds gehandicapt is kan de SVB ingevolge artikel 7, tweede lid, van de TOG 2000 opnieuw een medisch advies inwinnen. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het medisch advies wordt ingewonnen bij een landelijk opererende, onafhankelijke en daartoe deskundige organisatie.

4.3.1. Bij de beoordeling of sprake is van afhankelijkheid van geregelde oppassing en verzorging als bedoeld in artikel 3, onder a, van de TOG 2000 wordt door de SVB, overeenkomstig daartoe opgestelde beleidsregels (Stcrt. 2007, 103) vastgesteld of en in welke mate het kind is aangewezen op hulp met betrekking tot de volgende aspecten: lichaamshygiëne, zindelijkheid, eten en drinken, mobiliteit, medische verzorging (de categorie verzorging) en gedragsproblemen, communicatiegebreken, de onmogelijkheid alleen thuis te zijn, begeleiding buitenshuis en handreikingen en begeleiding (de categorie oppassing). Per subcategorie wordt beoordeeld of het kind in sterke of in lichte mate afhankelijk is van hulp, toezicht en begeleiding. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt met de mate van hulp, toezicht en begeleiding die een gezond kind van dezelfde leeftijd nodig heeft.

4.3.2. De organisatie als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de TOG 2000 is ClientFirst. Deze organisatie hanteert bij de beoordeling een tussen de SVB en Argonaut tot stand gekomen interne uitvoeringsrichtlijn (hierna: Richtlijn) voor deskundigen. Deze Richtlijn zoekt aansluiting bij de toelichting van de TOG 2000 en de door de SVB opgestelde beleidsregels. In de Richtlijn wordt een nadere uitwerking gegeven aan de in het beleid genoemde beoordelingsthema’s, waarbij per thema, afhankelijk van de zorgzwaarte, nul, één of twee punten worden toegekend. Om te kunnen spreken van aanzienlijk meer afhankelijk zijn van geregelde oppassing en verzorging dan een gezond kind van dezelfde leeftijd, hanteert de SVB een minimale score van tien punten voor een kind van zeven jaar, negen punten voor kinderen van acht en negen jaar, acht punten voor kinderen van tien en elf jaar en zes punten voor kinderen van twaalf jaar en ouder.

4.3.3. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 1 oktober 2008 (LJN BF7035) heeft geoordeeld is niet gebleken dat de Richtlijn als zodanig in strijd komt met enige regel van geschreven of ongeschreven recht of met enig algemeen rechtsbeginsel. De Richtlijn kan in beginsel dan ook als uitgangspunt worden genomen voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de TOG 2000.

4.4.1. Voor de subcategorie gedrag worden ingevolge de Richtlijn twee punten toegekend indien voortdurend toezicht moet zijn in verband met door de gehele dag heen voorkomende of dreigende gedragsproblemen en escalaties, of indien sprake is van een ernstige gedragspathologie waardoor het volgen van regulier onderwijs niet mogelijk is, ook niet met rugzakje/ambulante begeleiding.

Eén punt wordt toegekend in de situatie dat door een daartoe oordeelkundige professional lege artis een kinderpsychiatrische diagnose op gedragspathologisch vlak is vastgesteld, indien sprake is van evidente gedragspathologie die frequent tot (dreigende) problemen leidt waarbij het met structuur, regelmaat en voorspelbaarheid het ook periodiek of situatief goed kan gaan, indien sprake is van evidente gedragspathologie en het volgen van regulier onderwijs slechts mogelijk is dankzij een rugzakje/ambulante begeleiding, indien sprake is van evidente gedragspathologie maar het kind desondanks handhaafbaar is op regulier onderwijs, of indien af en toe ernstige gedragsproblemen zijn met destructief of agressief gedrag.

4.4.2. De Raad is niet gebleken dat [naam zoon] ter zake van de subcategorie gedrag voldoet aan de criteria om in aanmerking te komen voor een score van twee punten. Hiertoe overweegt de Raad dat [naam zoon] blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet voortdurend toezicht nodig heeft, terwijl evenmin gebleken is dat het volgen van regulier onderwijs niet mogelijk is. De gestelde omstandigheid dat appellant constant anticipeert op wat in de loop van een dag met [naam zoon] zou kunnen gebeuren en hoe daarbij escalerend gedrag voorkomen zou kunnen worden leidt niet tot een ander oordeel. In de Richtlijn is met deze omstandigheid immers rekening gehouden doordat voor de onderhavige subcategorie één punt wordt toegekend in onder meer de situatie dat sprake is van evidente gedragspathologie die frequent tot (dreigende) problemen leidt, maar waarbij het met structuur, regelmaat en voorspelbaarheid ook periodiek of situatief goed kan gaan. De Raad is dan ook van oordeel dat de SVB terecht één punt voor de subcategorie gedrag heeft toegekend.

4.5.1. Met betrekking tot de subcategorie communicatie worden ingevolge de Richtlijn twee punten toegekend bij een onvermogen tot spreken, indien de spraak door (bijna) niemand begrepen wordt of alleen door naaste verzorgers/ouders, indien sprake is van (ondersteunende) gebaren en losse woorden, indien het kind niet op vragen antwoordt of alleen met gebaren en losse woorden, of indien het kind (praktisch) doof is.

Een score van één punt wordt toegekend indien het kind wel spreekt maar de taal regelmatig niet functioneel is als gevolg van echolalie, persevereren, inadequate reactie of confabuleren, indien het kind slechts simpele wensen en eenvoudige/concrete vragen kenbaar kan maken, indien sprake is van een ZML-niveau of lager, bij een lege artis gestelde diagnose autisme of PDD-NOS (met de aantekening dat het niet moet gaan om de stoornis van Asperger), of indien het kind een school bezoekt voor spraakstoornissen op grond van een spraaktaalstoornis. Geen punt wordt toegekend indien het kind zelf contact maakt met anderen, indien het kind ook wordt verstaan en begrepen door buren en andere bekenden, indien het wensen kenbaar kan maken, het begrip heeft van dagelijkse ervaringen, of indien het een gesprekje kan voeren over onderwerpen die in de belangstelling staan.

4.5.2. Blijkens de gedingstukken is bij [naam zoon] geen sprake van problemen met zijn verstaanbaarheid en met zijn taalbegrip of woordkeuze, en communiceert [naam zoon] op een normale manier. De Raad verwijst in dit verband naar het door appellant overgelegde rapport van het Autismeteam Noord-Nederland van GGz Groningen van 1 juni 2004. Hierin is onder meer vermeld dat [naam zoon] een normaal en grammaticaal correct taalgebruik heeft en dat een gesprekje met hem mogelijk is. Hij reageert blijkens dit rapport adequaat op vragen en hij geeft daarbij extra informatie als het onderwerp hem boeit. Er is geen sprake van echolalie of stereotiep taalgebruik. Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat de SVB, gelet op de in de Richtlijn opgenomen criteria, terecht geen punt heeft toegekend voor de subcategorie communicatie. De gestelde omstandigheid dat bij [naam zoon] geen sprake is van wederkerigheid in het contact met anderen leidt niet tot een ander oordeel, nu [naam zoon] in staat is zich adequaat te verwoorden en anderen adequaat kan begrijpen.

4.6.1. Voor de subcategorie bezighouden/handreikingen worden ingevolge de Richtlijn twee punten toegekend indien sprake is van een noodzaak tot het aanbieden van een volledige, complete dagstructuur met voortdurende individuele aandacht en activering, indien het kind zich geheel niet alleen kan vermaken of bezig kan zijn, indien alle activiteiten binnenshuis georganiseerd en begeleid worden, indien het kind naar een kinderpsychiatrische dagbehandeling of een cluster 4 school gaat, indien volledige aanpassing en sterke inperking van de levensstijl plaatsvindt ten gevolge van ernstige chronische ziekte, of indien sprake is van een ZLM-niveau of lager.

Een score van één punt wordt toegekend bij een noodzaak tot een vaste structuur en dagprogramma in samenhang met gedragsproblematiek, indien sprake is van een aanpassing van de levensstijl ten gevolge van een ernstige chronische ziekte, rolstoelafhankelijkheid en/of een ernstige zintuiglijke handicap, bij een noodzaak tot extra structuur of uitleg/voorbereiding/begeleiding ten gevolge van een lichte verstandelijke beperking, indien het kind op regulier onderwijs handhaafbaar is dankzij een rugzakje/ambulante begeleiding, of indien het kind van tijd tot tijd aandacht behoeft met betrekking tot onder meer de uitleg over opdrachten of ter voorbereiding van nieuwe situaties of ter geruststelling, maar het kind zich ook enige tijd alleen kan vermaken of geconcentreerd ergens mee bezig kan zijn.

4.6.2. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is [naam zoon] in staat om zich alleen te vermaken achter de televisie en de computer. Wel moet hij na enige tijd aangespoord en begeleid worden om iets anders te gaan doen. Op grond hiervan is de Raad van oordeel dat [naam zoon], gelet op de onder 4.6.1 vermelde criteria, ter zake van de onderhavige subcategorie terecht niet in aanmerking is gebracht voor twee punten, en dat de SVB hiervoor terecht één punt heeft toegekend.

4.7. Uit het onder 4.1 en onder 4.4.1 tot en met 4.6.2 overwogene vloeit voort dat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 11 december 2007 ongegrond zal verklaren.

4.8. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2007 ongegrond;

Bepaalt dat de SVB aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken op 1 december 2009.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) B.E. Giesen.

RB