Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5100

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
08-5323 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Gezien het berusten in een eerdere uitspraak van de rechtbank, staan de medische gronden niet opnieuw ter beoordeling. Niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde en aan haar voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Heropening onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) wordt aangemerkt als partij in die procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5323 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2008, 07/91 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2009. Appellante is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoeriger overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 28 januari 2005 is appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, per 13 oktober 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 26 juli 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit 28 januari 2005 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 13 oktober 2004 bepaald op 35 tot 45%.

1.4. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 12 oktober 2006, 05/2087, voor zover thans van belang, het namens appellante tegen het besluit van 26 juli 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij de medische onderbouwing van dat besluit onderschreven. De rechtbank heeft de arbeidskundige onderbouwing van meergenoemd besluit echter ontoereikend geoordeeld en is daarom overgegaan tot vernietiging van dat besluit. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

1.5. Bij het ter uitvoering van deze uitspraak genomen besluit van 27 november 2006, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit 28 januari 2005 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 13 oktober 2004 bepaald op 45 tot 55%.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met beslissingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten. De rechtbank heeft het Uwv voorts veroordeeld tot vergoeding van (immateriële) schade tot een bedrag van € 100,- in verband met schending van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.2. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat met haar uitspraak van 12 oktober 2006, tegen welke uitspraak appellante geen hoger beroep heeft ingesteld, de medische grondslag van de onderhavige schatting in rechte vaststaat, zodat de toetsing van het bestreden besluit beperkt is tot de arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft die arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit (ditmaal) toereikend geacht. Wat betreft appellantes vordering tot vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank vastgesteld dat deze uitsluitend ziet op het aandeel van het Uwv daarin. Naar het oordeel van de rechtbank omvat het bestuurlijk aandeel in de lange duur van de procedure de periode tussen 4 februari 2005 en 26 juli 2005 alsmede de periode tussen 12 oktober 2006 en 27 november 2006, in totaal een periode van zeven maanden. Uitgaande van een bedrag van € 100,- voor elke maand dat de bestuurlijke fase langer heeft geduurd dan zes maanden, heeft de rechtbank appellante een bedrag van € 100,- aan immateriële schadevergoeding toegekend.

3. Het hoger beroep keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven. De Raad stelt vast dat appellante haar in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten tegen de onderhavige schatting in essentie heeft herhaald. Deze strekken in hoofdzaak ten betoge dat appellante met ingang van 13 oktober 2004 als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd en aldus recht heeft op een volledige WAO-uitkering. Appellante voert daartoe in hoofdzaak aan dat haar klachten over Repetitive Strain Injury haar verhinderen (iedere) loonvormende arbeid te verrichten. Appellante meent tot slot dat haar een te laag bedrag aan immateriële schadevergoeding is toegekend voor de bestuurlijke fase. Voorts heeft appellante, zo begrijpt de Raad, verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn ook in de rechterlijke fase van de procedure.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de rechtbank in haar uitspraak van 12 oktober 2006 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud de vaststelling door het Uwv van de voor appellante op de datum in geding geldende medische beperkingen heeft onderschreven. Tegen die uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld. Nu bij het ter uitvoering van die uitspraak genomen besluit op bezwaar diezelfde medische grondslag voor de arbeidskundige beoordeling is gehanteerd, is naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 1 mei 2007, LJN BA4589) die medische grondslag niet meer aanvechtbaar. Dit uitgangspunt kan slechts uitzondering lijden in het geval er sedert de uitspraak van 12 oktober 2006 nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellante zoals die in die uitspraak is beoordeeld. Daarvan is in dit geval geen sprake. De medische gronden van appellante staan derhalve thans niet opnieuw ter beoordeling.

4.2. In het hetgeen onder 4.1 is overwogen ligt besloten dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien het verzoek van appellante tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige te honoreren. Appellantes andersluidende grond stuit hierop af.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad voorts, evenmin als de rechtbank, gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde en aan haar voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Appellante heeft in hoger beroep ook geen zelfstandige grieven geformuleerd tegen de geduide functies.

4.4. Met betrekking tot de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Raad het volgende.

4.5. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.6. De Raad heeft uitgangspunten geformuleerd voor de zich hier voordoende situatie dat vernietiging door de rechtbank van de eerste beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar, een herhaalde behandeling door de rechtbank en hoger beroep (zie de rechtsoverwegingen 5.4.2 tot en met 5.4.6 van de uitspraak van

4 juni 2009, LJN BI8665 en de uitspraak van 11 augustus 2009, LJN BJ5402). Aangezien tijdens de tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, had de rechtbank moeten uitgaan van een redelijke termijn van in beginsel twee jaar voor de procedure tot aan de dag van haar tweede uitspraak. De Raad zal dit in 4.7 alsnog doen.

4.7. Vanaf de ontvangst op 4 februari 2005 van het bezwaarschrift tot de datum van de tweede uitspraak van de rechtbank zijn drie jaar en ruim vijf maanden verstreken. Uit overweging 4.6 volgt dat ten tijde van de aangevallen uitspraak een termijn van twee jaar in beginsel als redelijk is aan te merken, zodat sprake lijkt van een overschrijding met één jaar en ruim vijf maanden.

De eerste procedure bij de rechtbank, te rekenen vanaf de ontvangst van het beroepschrift tot de datum van de eerste uitspraak, heeft ruim dertien maanden geduurd. De tweede procedure bij de rechtbank heeft, van de ontvangst op 5 januari 2007 van het beroepschrift tegen het besluit van 27 november 2006 tot aan 14 juli 2008, de datum van de tweede uitspraak van de rechtbank, één jaar en ruim zes maanden geduurd, zodat in zoverre sprake is van een langere behandelingsduur dan de in beginsel aanvaardbaar te achten duur van anderhalf jaar. Aan een en ander kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke fase als in de tweede rechtbankprocedure is overschreden.

4.8. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist over het verzoek om schadevergoeding wegens de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

5. Er is geen grond voor toekenning van een uit wettelijke rente over de geclaimde na te betalen WAO-uitkering bestaande schadevergoeding.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het Uwv is veroordeeld tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 100,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 107,- vergoedt;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 09/6318 BESLU en 09/6319 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bedee, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

(get.) H. Bedee.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL