Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5021

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
09-1169 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. Inkomsten uit niet gemelde werkzaamheden. Nihilstelling en intrekking WAO-uitkering. Terugvordering. Wat betreft de omvang van de werkzaamheden en het aantal uren dat appellant daaraan besteedde en de inkomsten die hij met die werkzaamheden heeft verworven, ziet de Raad geen aanleiding af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat in beginsel van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit uitgangspunt zouden rechtvaardigen is de Raad niet gebleken. Juistheid berekeningswijze . Met voorbijgaan aan het aantal gewerkte uren heeft de bezwaararbeidsdeskundige op basis van de tot maandbedragen herleide inkomensgegevens, met inachtneming van forfaitaire bedragen voor onkosten, het arbeidsongeschiktheidspercentage juist berekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1169 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 januari 2009, 07/1079 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 24 april 2009 zijn de gronden van het hoger beroep ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2009. Appellant is niet verschenen, zoals aangekondigd. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is ingaande 28 december 1984 wegens psychische klachten en epilepsie een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met inkomsten uit arbeid is bij (primaire) besluiten van 15 maart 2007 onder toepassing van artikel 44 van de WAO de uitkering over de jaren 2000, 2001 en 2002 op nihil gesteld en de uitkering ingaande 1 januari 2003 ingetrokken. Bij besluit van 16 maart 2007 is een bedrag van € 69.012,90 teruggevorderd.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 20 september 2007 heeft het Uwv het tegen deze besluiten gerichte bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, de beslissingen van 15 en 16 maart 2007 ingetrokken en in de plaats daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid over de jaren 2000-2002 ongewijzigd op 80 tot 100% gesteld, de WAO-uitkering ingaande 1 januari 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en de uitkering ingaande 23 februari 2004 ingetrokken. Het terug te betalen bedrag is vastgesteld op € 29.992,68.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant, ingesteld tegen het besluit van 20 september 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat niet wordt betwist dat appellant ten tijde in geding werkzaamheden heeft verricht en met deze werkzaamheden inkomsten heeft verworven. Voorts staat vast dat appellant deze werkzaamheden niet aan het Uwv heeft gemeld en daarmee de inlichtingenverplichting van artikel 80 van de WAO heeft geschonden. Het Uwv heeft zich daarbij kunnen baseren op het frauderapport van 29 januari 2007 en de daarin neergelegde bevindingen, getuigenverklaringen en observaties en de informatie van de opdrachtgever [D.]. De rechtbank heeft de schattenderwijs gemaakte berekening door de bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam van 14 september 2007 niet onzorgvuldig of onjuist geacht. Dat appellant door geen administratie of boekhouding bij te houden geen inzicht kon verschaffen in de precieze aard en omvang van de werkzaamheden en de daaruit verworven inkomsten moet voor zijn rekening en risico blijven. Tenslotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv terecht een bedrag van € 29.992,68 van appellant heeft teruggevorderd.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn eerder aangevoerde grieven gehandhaafd. Hij heeft daarbij met name gewezen op de onrechtmatigheid van de observaties die stelselmatig hebben plaatsgevonden zonder de daarbij vereiste toestemming van de officier van justitie. De observaties zijn te vaag en te onduidelijk om daaraan conclusies te verbinden. De observaties zijn gedaan buiten de periode waarop de primaire beslissingen betrekking hebben. De getuigenverklaringen moeten als leugenachtig en onbetrouwbaar terzijde worden gesteld. De op grond van een van de getuigenverklaringen gemaakte berekening van de zogenaamde Lagelandroute die appellant reed, is onjuist. Appellant heeft aangeboden aan de hand van DVD’s aan te tonen dat het rijden van deze route aanzienlijk minder uren in beslag nam. Appellant heeft nog gewezen op de verklaring van deze getuige in de strafzaak van een medeverdachte van appellant, welke getuigeverklaring door de Raad bij uitspraak van 29 april 2009 (LJN BI4662) als onvoldoende is aangemerkt om te oordelen dat die betrokkene als zelfstandige werkzaam was geweest.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen slechts betreft de omvang van de werkzaamheden van appellant en het aantal uren dat hij daaraan besteedde en, daarmee samenhangend, de inkomsten die hij met die werkzaamheden heeft verworven.

4.2. Appellant heeft dienaangaande op 14 december 2006 in zijn tegenover buitengewoon opsporingsambtenaar W. Vedder afgelegde en ondertekende verklaring gespecificeerd aangegeven op welke dagen van de week hij welke ritten reed op hoeveel uren per dag. Appellant verklaarde dat de inkomsten die hij met deze werkzaamheden verwierf, over een periode door getuige [A.] en over een (andere) periode door [D.] werden uitbetaald.

4.3. De Raad ziet geen aanleiding af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat in beginsel van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op dit uitgangspunt zouden rechtvaardigen is de Raad niet gebleken.

4.4. Aan de hand van deze verklaring en van informatie afkomstig van de zijde van distributeur [D.] heeft bezwaararbeidsdeskundige Van Dam in zijn rapport van 14 september 2007 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 januari 2003 en 23 februari 2004 berekend. Met voorbijgaan aan het aantal gewerkte uren heeft deze bezwaararbeidsdeskundige op basis van de tot maandbedragen herleide inkomensgegevens, met inachtneming van forfaitaire bedragen voor onkosten, berekend dat appellant per 1 januari 2003 voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd en ingaande 23 februari 2004 voor minder dan 15%.

4.5. De Raad acht deze berekeningswijze niet onjuist. Dat betekent dat in het midden kan blijven op hoeveel uren per week appellant de werkzaamheden daadwerkelijk heeft verricht. Nu met name appellants eigen verklaring bij het onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige leidend is geweest, kunnen de grieven die zien op de observaties en de getuigenverklaringen onbesproken blijven.

4.6. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK