Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
08-5341 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. In de eerste plaats is ook de Raad, in navolging van de rechtbank, van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. In de door appellant in hoger beroep ingediende stukken bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. Het bestreden besluit berust op een juiste medische grondslag. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5341 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 juli 2008, 07/6634 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is nadere informatie verstrekt en zijn nadere stukken ingezonden.

In reactie daarop is van de zijde van het Uwv een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts M. Keus van 13 oktober 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 25 juli 2007, hierna: het bestreden besluit, ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.2. Bij het bestreden besluit is het door appellant tegen het besluit van 2 januari 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 29 januari 2007 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op de grond dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten in de zin van die wet.

2.1. Appellant, die in januari 2005 wegens nek- en rugklachten is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als heftruckchauffeur, meent dat de verzekeringsartsen van het Uwv te weinig beperkingen hebben aangenomen. Hij stelt als gevolg van zowel zijn nekklachten als zijn rugklachten zodanig beperkt te zijn dat hij niet in staat is tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de bij de schatting als voor hem passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies.

2.2. Daarnaast heeft hij bezwaren van arbeidskundige aard tegen de functies. Hij is de opvatting toegedaan dat hij niet voldoet aan het in de functies gevraagde opleidingsniveau, en evenmin aan de eisen die daarin worden gesteld ten aanzien van de schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal. Appellant geeft aan dat hij weliswaar behoorlijk Nederlands kan spreken, maar dat hij het lezen en schrijven niet beheerst.

3. De Rechtbank heeft evenvermelde grieven van appellant verworpen. Hetgeen appellant in hoger beroep doet aanvoeren vormt in essentie een herhaling van zijn eerdere grieven.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. In de eerste plaats is ook de Raad, in navolging van de rechtbank, van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts hebben appellant medisch onderzocht. Voorts is informatie ingewonnen bij de behandelend neuroloog van appellant. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsartsen bij hun onderzoek van appellant geen afwijkingen kunnen vaststellen, terwijl ook de neuroloog aan de rug van appellant geen afwijkingen heeft kunnen objectiveren. Volgens de bezwaarverzekeringsarts worden ook de nekklachten door appellant ernstiger beleefd dan in overeenstemming is met de beschikbare medische gegevens. In het verleden is bij appellant een nekhernia vastgesteld, maar de bezwaarverzekeringsarts kon bij onderzoek daarvan niets meer terugvinden. Ook uit de brief van de neuroloog blijkt volgens de rechtbank dat de klachten van deze hernia duidelijk zijn afgenomen.

4.3. De Raad volgt de rechtbank in deze overwegingen en het daarop gegronde oordeel. De Raad voegt daaraan nog toe dat de van de zijde van appellant in hoger beroep ingediende stukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andersluidend oordeel. In reactie op die stukken - welke betrekking hebben op een door appellant ontvangen uitkering krachtens de Ziektewet over de tijdvakken van 2 mei 2008 tot 11 juli 2008 en van 7 augustus 2008 tot 22 april 2009 - heeft de bezwaarverzekeringsarts Keus bij rapport van 13 oktober 2009 uiteengezet dat en waarom de daarin opgenomen gegevens geen aanleiding geven om het met betrekking tot de in geding zijnde datum 29 januari 2007 ingenomen standpunt te wijzigen. De Raad ziet geen aanleiding om genoemde bezwaarverzekeringsarts niet in deze visie te volgen.

4.4. De Raad komt aldus tot de conclusie dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust. Daarvan uitgaande staat voor de Raad tevens genoegzaam vast dat de belasting van de bij de schatting betrokken functies binnen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid valt en dat appellant derhalve terecht in staat is geacht die functies te vervullen. Dat geldt met name ook voor de door appellant benadrukte vertredingsmogelijkheden. Appellant heeft niet aannemelijk kunnen maken dat in de functies langer achtereen moet worden gezeten of gestaan dan voor hem haalbaar wordt geacht.

4.5. Voorts sluit de Raad zich ook aan bij het oordeel van de rechtbank dat de door appellant tegen de functies geuite bezwaren van arbeidskundige aard evenmin kunnen slagen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 20 juli 2007 aangegeven dat voor appellant, gelet op het door hem voltooide basisonderwijs alsmede het behaalde certificaat voor heftruckchauffeur en het behaalde rijbewijs, opleidingsniveau 2 aan de orde is. Aan de Raad is niet kunnen blijken dat in de functies diploma-eisen of niveau-eisen worden gesteld waaraan appellant niet kan voldoen.

4.6. Ten slotte is door de bezwaararbeidsdeskundige aangegeven dat in de functies geen andere eisen aan lezen of schrijven worden gesteld dan dat enig tel- en leeswerk op de laagste niveaus kan voorkomen, waarvoor enkele jaren basisonderwijs toereikend zijn. De Raad is van oordeel dat appellant, gelet op de door hem gevolgde opleiding en op zijn arbeidsverleden, in staat moet worden geacht aan deze beperkte eisen te voldoen.

4.7. De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. Het Uwv heeft derhalve bij dat besluit terecht vastgesteld dat er voor appellant geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, omdat hij na afloop van de wachttijd op 29 januari 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

JL