Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5016

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
08-2676 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering, vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De geclaimde verstoorde agressieregulatie vindt naar het oordeel van de Raad geen bevestiging in de voorhanden zijnde medische stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2676 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 april 2008, 07/774 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv bij brief van 29 juni 2009 een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige C.G.H.J. Habets van 23 juni 2009 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2009, waar beide partijen zijn verschenen. Appellant is bijgestaan door mr. Gans en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer F.G.E. Houtbeckers.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaande heeft aangenomen. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

2.1. Bij besluit van 15 december 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 21 augustus 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.

2.2. In bezwaar is onder meer naar voren gebracht dat er in onvoldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Ter ondersteuning van deze stelling heeft appellant de in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek opgestelde rapportages van justitieel forensisch psychiater J. Zandbergen en psycholoog S. Labrijn van 12 juli 2005 respectievelijk 16 november 2005 ingebracht. Na kennisname van deze informatie heeft bezwaarverzekeringsarts T.J.W. Jansen de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. Vervolgens is het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd. Op basis van de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, te weten elektromonteur (Sbc-code 267010), medewerker tuinbouw (Sbc-code 111010) en elektronicamonteur (Sbc-code 267040), concludeert bezwaararbeidsdeskundige Habets dat er geen sprake is van loonverlies.

2.3. Bij besluit van 19 april 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 15 december 2006 gehandhaafd.

3.1. In beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld geen duurzaam benutbare mogelijkheden te hebben als gevolg van zijn klachten. Hiertoe is informatie ingebracht met betrekking tot de mislukte re-integratie van appellant in 2005.

3.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, overwegende dat niet kan worden staande gehouden dat de medische informatie waarover bezwaarverzekeringsarts Jansen kon beschikken onvoldoende was om zich een goed beeld van appellants beperkingen te kunnen vormen. Ook is de rechtbank niet gebleken dat bij de beoordeling van de belastbaarheid essentiƫle aspecten buiten beschouwing zijn gelaten, waarbij verder is overwogen dat appellant geen medische informatie heeft ingebracht op basis waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan het oordeel van bezwaarverzekeringsarts Jansen. De rechtbank heeft aldus geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de functionele mogelijkheden van appellant op de datum in geding niet op een correcte wijze zijn vastgesteld.

4. In hoger beroep heeft appellant aanvankelijk herhaald geen benutbare mogelijkheden te hebben. Ter zitting heeft hij dit standpunt verlaten. Desalniettemin stelt hij zich nog immer op het standpunt dat de FML geen juiste weerslag biedt van zijn beperkingen. In het bijzonder is geen rekening gehouden met appellants verstoorde agressieregulatie. Daarnaast zijn de geselecteerde functies gemotiveerd bestreden.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Hetgeen appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in bezwaar en beroep is aangevoerd. Er zijn geen medische gegevens overgelegd die nopen tot twijfel aan het oordeel van de rechtbank. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. De geclaimde verstoorde agressieregulatie vindt naar het oordeel van de Raad geen bevestiging in de voorhanden zijnde medische stukken.

Met de rapportages van bezwaararbeidsdeskundige Habets van 17 april 2007 en 23 juni 2009 is afdoende gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen.

5.2. Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) A.E. van Rooij.

TM