Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5006

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
07-6566 WAO + 09-4692 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Herziening WAO-uitkering (25-35%). Appellant heeft een rapport overgelegd van een neuroloog opgesteld in het kader van een letselschadeverzekering. Naar aanleiding hiervan is FML aangepast en zijn de geduide functies aangepast. 2) Vervolgens is nieuw besluit genomen, waarin mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35-45%. Geen aanleiding te twijfelen aan juistheid aangepast FML. In resterende functies geen ontoelaatbare overschrijding van de belastbaarheid. Vernietiging aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit (1) in stand zijn gelaten. Ongegrond verklaring beroep tegen besluit (2).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/6566 WAO + 09/4692 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 oktober 2007, 06/2556 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.N. Ketting, advocaat bij FNV Bouw te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 17 april 2009, waar appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen en het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.P.F. Oosterbos, heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Het Uwv heeft met nadere rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige diverse vragen van de Raad beantwoord, waarop van de zijde van appellant is gereageerd.

Bij brief van 20 augustus 2009 heeft het Uwv onder andere een rapportage van bezwaarverzekeringsarts J.T.J.A. Klijn van 14 augustus 2009, een rapport van 17 augustus 2009 van bezwaararbeidsdeskundige C.W.M. Limbeek en een gewijzigd besluit op bezwaar van 20 augustus 2009 ingezonden.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 16 oktober 2009, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als stelleur betonelementen en heeft zich op 26 mei 1998 voor die werkzaamheden ziek gemeld met rechter polsklachten.

1.2. In aansluiting op de wettelijke wachttijd, met ingang van 26 mei 1999, is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. In het kader van een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit is appellant op 1 september 2005 onderzocht door de arts B. Bakker. De mogelijkheden en beperkingen van appellant zijn vastgelegd in een kritische Functionele Mogelijkhedenlijst van 4 oktober 2005. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige A.B. Driesse blijkens het rapport van 9 november 2005 na functieduiding het verlies aan verdiencapaciteit van appellant vastgesteld op 31,07%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2005 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 23 januari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.4. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff geconcludeerd dat de bezwaren aanleiding geven tot herziening van de medische grondslag waarop de primaire beslissing is gebaseerd en dat appellant vanwege zijn medicijngebruik tevens beperkt is ten aanzien van de aspecten persoonlijk risico en beroepsmatig autorijden. Van Hooff heeft haar conclusies vertaald in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 maart 2006. Bezwaararbeidsdeskundige Limbeek heeft vervolgens geconcludeerd dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd ook met inachtneming van de aangepaste FML geschikt zijn te achten voor appellant, dat het maatmaninkomen niet correct was vastgesteld en dat een correct maatmaninkomen leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 33,52%. Bij besluit van 24 maart 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 21 november 2005 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft voor zover thans nog van belang overwogen dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij voldoende op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder pols-, nek- en cognitieve klachten. Naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant in verband hiermee niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Noch in de door appellant overgelegde informatie van de behandelend anesthesioloog H.P. van Driel, noch in het door appellant overgelegde rapport van Accessio Reïntegratiediensten B.V. ziet de rechtbank aanleiding tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen.

2.2. De rechtbank heeft zich ook kunnen verenigen met de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1. Alle signaleringen die voorkomen bij de drie voor de onderhavige schatting gebruikte functies zijn naar het oordeel van de rechtbank – uiteindelijk – voldoende toegelicht. Omdat een deugdelijke motivering van de passendheid van de functies evenwel eerst in de fase van het beroep is verstrekt, heeft de rechtbank aanleiding gezien om bestreden besluit 1 te vernietigen, met instandlating van de rechtsgevolgen ervan. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld tot het vergoeden van het door appellant betaalde griffierecht en de door hem gemaakte proceskosten.

3.1. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de vastgestelde beperkingen, alsmede de geschiktheid in medisch opzicht van de hem voorgehouden functies, opnieuw betwist. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij verdergaand beperkt is, heeft hij een rapport overgelegd van neuroloog R.S.H.M. Beijersbergen van 30 oktober 2007, opgesteld in het kader van een letselschadeverzekering.

3.2. Naar aanleiding van de hiervoor genoemde neurologische expertise heeft bezwaarverzekeringsarts Klijn de FML aangepast. Een en ander had volgens het Uwv geen gevolgen voor de aan appellant voorgehouden functies en ook niet voor de mate van arbeidsongeschiktheid.

3.3. Bij het besluit van 20 augustus 2009 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv per 23 januari 2006 de WAO-uitkering (alsnog) herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

3.4. Bestreden besluit 2 berust op de in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Klijn en de bezwaararbeidsdeskundige Limbeek.

De bezwaarverzekeringsarts heeft naar aanleiding van de in rubriek I genoemde reactie van appellant de FML verder aangepast op aspect hoofdbewegingen. Bezwaararbeidsdeskundige Limbeek concludeerde vervolgens dat met deze aanpassing van de FML de functie van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie niet langer geschikt was te achten voor appellant vanwege de daarin voorkomende belasting op het aspect hoofdbewegingen. De schatting wordt thans gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie, parkeercontroleur en de (eerst als reservefunctie geduide) functie van bediende fotolaboratorium. Indien de mediane loonwaarde van deze functies wordt afgezet tegen het door appellant niet meer bestreden maatmaninkomen resteert een verlies aan verdiencapaciteit van 40,99%.

4.1. Het Uwv heeft bij bestreden besluit 2 te kennen gegeven de in bestreden besluit 1 neergelegde grondslag van de schatting niet langer te handhaven. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De aangevallen uitspraak zal in zoverre dan ook worden vernietigd.

Omdat met het bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van appellant, dient de Raad met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit besluit in de procedure te betrekken. Dit betekent dat het beroep tegen bestreden besluit 1 geacht wordt mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

4.2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van bestreden besluit 2 overweegt de Raad het volgende.

4.2.2. Het geschil in hoger beroep spitst zich met name toe op de vraag of de in het rapport van Beijersbergen genoemde beperkingen voor het verrichten van arbeid moeten leiden tot aanpassing van de door het Uwv uiteindelijk vastgestelde FML van 14 augustus 2009. De Raad merkt daarbij als eerste op dat Beijersbergen zijn rapport heeft opgesteld in het kader van een letselschadeprocedure. Dit heeft tot gevolg dat hij zich weliswaar heeft uitgelaten over beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, maar niet in FML-specifieke termen, waardoor een zekere vertaalslag nodig is. De bezwaarverzekeringsarts Klijn heeft in zijn eerste reactie van 8 januari 2008 op het rapport van Beijersbergen naar het oordeel van de Raad voldoende beargumenteerd dat geen wezenlijke verschillen bestaan tussen de door Beijersbergen aanwezig geachte beperkingen voor het verrichten van arbeid en de door het Uwv reeds aangenomen beperkingen. Voorts heeft Klijn geconcludeerd dat de belastbaarheid op het aspect frequent reiken inderdaad moet worden aangescherpt, terwijl op de aspecten klimmen en vervoer sprake is van zogeheten verborgen beperkingen die vervolgens op de FML gewijzigd zijn in (lichte) beperkingen met een toelichting. Naar aanleiding van vragen van de Raad en de reactie van appellant op de antwoorden van het Uwv is in de FML van 14 augustus 2009 de toelichting bij het aspect 4.17 (hoofdbewegingen) sterk uitgebreid. Met dit laatste is naar het oordeel van de Raad voldaan aan de (terechte) wens van appellant dat in de toelichting op dat aspect per beweging wordt aangegeven of sprake is van een beperking en tot welk aantal graden.

4.2.3. Naar aanleiding van de opmerking van Beijersbergen dat geen sprake dient te zijn van een hoge werk- of tijdsdruk (behalve incidenteel), heeft Klijn zich aanvankelijk – in zijn rapport van 8 januari 2008 – op het standpunt gesteld dat in ieder geval kan worden nagegaan of in de geduide functies hogere werk- of tijdsdruk meer dan incidenteel voorkomt. In zijn rapportage van 23 juni 2009 heeft hij zich – nadat hij geconstateerd had dat in de functie van fotolaborant in 40% van de tijd extra tempodruk bestaat – nader op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van een beperking ten aanzien van de cognitieve functies. Hij heeft dit gemotiveerd door erop te wijzen dat Beijersbergen aangeeft dat de cognitieve klachten van appellant dusdanig mild zijn dat deze nimmer worden vermeld in de behandelende sector en dat Beijersbergen in zijn conclusies spreekt van ‘een licht chronisch laat postwhiplashsyndroom met dubieus mogelijk ook wat cognitieve elementen’ terwijl verdere objectivering hiervan in het onderzoek van Beijersbergen niet heeft plaatsgevonden. Dit, gevoegd bij het gegeven dat bij het onderzoek door de verzekeringsarts noch in de bezwaarprocedure is gebleken van afwijkingen ten aanzien van de cognitie, heeft Klijn doen concluderen dat er geen reden is om beperkingen ten aanzien van de cognitieve functies onder het niveau van de normaalwaarde van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem aan te nemen daar elke objectivering hiertoe ontbreekt. De Raad is van oordeel dat Klijn hiermee afdoende heeft gemotiveerd waarom het rapport van Beijersbergen niet noopt tot het aannemen van een beperking op het aspect 1.9.7 (deadlines en productiepieken). De Raad voegt hier nog aan toe dat Beijersbergen een aanvullend neuropsychologisch onderzoek niet zinvol achtte omdat hij verwachtte dat dit – vanwege de mildheid van de klachten – niet tot resultaat zal hebben dat deze daarmee geobjectiveerd worden.

4.2.4. In de rapportage van 23 juni 2009 heeft Klijn naar het oordeel van de Raad voorts voldoende gemotiveerd dat de door het Uwv aangenomen normaalwaarde op het aspect torderen (hetgeen betekent: kan de romp tenminste 45 graden draaien) niet strijdig is met de conclusie van Beijersbergen dat appellant “…beperkt licht belastbaar wordt geacht ten aanzien van nek- en schouderbelastende werkzaamheden zoals …fors torderen”.

4.2.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2.2 tot en met 4.2.4 volgt dat de Raad van oordeel is dat onvoldoende aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de in de FML van 14 augustus 2009 voor appellant vastgestelde beperkingen.

4.3. Inzake de geduide functies is de Raad, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, van oordeel dat het Uwv met de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige Limbeek van 14 januari 2008 en 25 februari 2008 en de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Klijn van 23 juni 2009 toereikend heeft gemotiveerd dat in deze functies geen ontoelaatbare overschrijding van de belastbaarheid van appellant voorkomt.

4.4. De conclusie is dat het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.

4.5. Ten aanzien van het verzoek van appellant om vergoeding van de schade die hij lijdt als gevolg van de indeling bij bestreden besluit 1 in een onjuiste arbeidsongeschiktheidsklasse, overweegt de Raad dat het overwogene in 4.1 meebrengt dat hij voor vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering in aanmerking komt. Voor de wijze waarop het Uwv deze rente dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

4.6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand. Van overige kosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 24 maart 2006 in stand zijn gelaten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2009 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- te betalen door het Uwv;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK