Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
08-3387 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. De Raad stelt vast dat appellant zijn evenvermelde eigen opvatting inzake de ernst van zijn beperkingen en de gevolgen daarvan voor zijn mogelijkheden om te werken ook in hoger beroep niet aan de hand van medische gegevens heeft onderbouwd. De aldus louter subjectieve opvatting van appellant biedt in het licht van het wettelijk arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat naar vaste rechtspraak dient te worden uitgelegd een ontoereikende grondslag om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3387 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 april 2008, 07/1159 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009. Voor appellant is verschenen mr. Van Berkel, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R. Abdoelhak.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is in juli 2005 wegens klachten in verband met botontkalking uitgevallen voor zijn werkzaamheden als automonteur. Bij besluit van 24 april 2007 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 6 juli 2007 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, op de grond dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten. Bij besluit van 10 oktober 2007, hierna: het bestreden besluit, is het door appellant tegen het besluit van 24 april 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu appellant geen medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist moeten worden gehouden, de beperkingen van appellant op juiste wijze zijn vastgesteld.

2.2. Evenmin heeft appellant, aldus de rechtbank, informatie aangedragen op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat hij de geduide functies niet kan verrichten. Er is in voldoende mate rekening gehouden met de beperkingen van appellant, en hij moet in staat worden geacht de betreffende functies uit te oefenen.

3. In hoger beroep heeft appellant niet anders doen aanvoeren dan dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij per 6 juli 2007 in staat was de hem voorgehouden functies te vervullen. Hij acht zich tot op heden door een combinatie van beperkingen niet in staat duurzaam loonvormende werkzaamheden te verrichten, althans niet zonder dat daarbij een urenbeperking in acht wordt genomen.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant zijn evenvermelde eigen opvatting inzake de ernst van zijn beperkingen en de gevolgen daarvan voor zijn mogelijkheden om te werken ook in hoger beroep niet aan de hand van medische gegevens heeft onderbouwd. De aldus louter subjectieve opvatting van appellant biedt in het licht van het wettelijk arbeidsongeschiktheidscriterium zoals dat naar vaste rechtspraak dient te worden uitgelegd een ontoereikende grondslag om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

4.2. De Raad overweegt nog dat de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de gezondheidssituatie van appellant eigenlijk geen basis biedt om tot enige beperking - als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte en/of gebreken - voor arbeid te concluderen, derhalve ook niet tot een beperking met betrekking tot de per dag en/of per week voor appellant haalbare arbeidsomvang. Appellant is aldus volgens de bezwaarverzekeringsarts met de door de verzekeringsarts gegeven beperkingen niet tekort gedaan. De Raad heeft in het licht van het geheel van de omtrent appellant beschikbare medische - en overige - gegevens geen aanleiding om deze visie van de bezwaarverzekeringsarts niet juist te achten.

4.3. De Raad heeft ten slotte, eveneens in navolging van de rechtbank, evenmin aanleiding voor het oordeel dat appellant op de in geding zijnde datum niet in staat was tot het vervullen van de bij de onderhavige schatting in aanmerking genomen functies.

4.4. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

JL