Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4846

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
08-3027 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep behaalde beroepsgronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Ook in de ter zitting nog verstrekte aanvullende informatie van de revalidatie-arts ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de beperkingen in de lichamelijke en geestelijke belastbaarheid van appellante hebben onderschat. Ook uit deze informatie volgt niet op basis van welke medisch objectiveerbare aandoening deze arts haar opvatting over de beperkingen van appellante stelt. Voor het benoemen van een deskundige ziet de Raad geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/3027 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 april 2008, 07/815

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelisse. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 5 april 2007 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit de WAO-uitkering van appellante met ingang van 21 januari 2007 in te trekken, omdat appellante per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het besluit van 5 april 2007 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven en besluiten genomen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat het besluit van 5 april 2007 op een juiste medische grondslag, maar niet op een juiste arbeidskundige grondslag berust. Dit laatste omdat niet op voldoende wijze is toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is in de beroepsfase alsnog een deugdelijke toelichting verstrekt. De rechtbank heeft hierin aanleiding gevonden te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep gronden aangevoerd die zij ook reeds in beroep heeft aangevoerd. Zij baseert haar standpunt dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen mede op medische informatie van de haar behandelende revalidatie-arts K.B. Dankoor. In een brief van 12 juli 2007 stelt de revalidatie-arts dat zij appellante zowel fysiek als mentaal zeer beperkt belastbaar acht. Fulltime werken, 40 uur in de week, is dan ook volgens Dankoor niet haalbaar.

3.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep behaalde beroepsgronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

3.3. Ook in de ter zitting nog verstrekte aanvullende informatie van de revalidatie-arts ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de beperkingen in de lichamelijke en geestelijke belastbaarheid van appellante hebben onderschat. Ook uit deze informatie volgt niet op basis van welke medisch objectiveerbare aandoening deze arts haar opvatting over de beperkingen van appellante stelt. Voor het benoemen van een deskundige ziet de Raad geen aanleiding.

3.4. Het hoger beroep van appellante treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

3.5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2009.

(get.) J. Brand.

(get.) T.J. van der Torn.

KR