Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
09-1773 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad volgt de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat Emmelot een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. De Raad overweegt verder dat deze op genoegzame wijze is ingegaan op de reactie van appellant op zijn rapportage van 25 juli 2008 en inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom hij heeft afgezien van een aanvullend neurologisch onderzoek. Dit standpunt van Emmelot vindt naar het oordeel van de Raad steun in de rapportage van neuroloog J.P. de Ruiter van 22 maart 2007, die appellant op 3 januari 2007 heeft onderzocht en die tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een uitgebreid en complex klachtengeheel zonder duidelijk neurologisch substraat. Van de zijde van appellant zijn daarnaast geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zijn beperkingen op de datum in geding als gevolg van een neurologische aandoening zijn onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1773 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], thans zonder vaste woon- of verblijfplaats (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 februari 2009, 07/1144 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.J.H. Habers, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2009. Voor appellant is verschenen mr. Habers (voornoemd). Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 1 maart 2000 vanwege rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als allround medewerker weverij. Aan hem is per 28 februari 2001 een WAO-uitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 30 november 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid, naar aanleiding van de aangepaste regels voor de schatting van arbeidsongeschiktheid, is onderzocht en dat deze per 31 januari 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2.2. Bij besluit van 5 juni 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant daartegen ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft aanleiding gezien om revalidatiearts dr. C.H. Emmelot als deskundige te benoemen. Deze heeft appellant op 4 april 2008 onderzocht. Bij rapportage van 25 juli 2008 komt Emmelot tot de conclusie dat niet alle beperkingen van appellant in volle omvang een rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebrek. Emmelot kan niet instemmen met de vaststelling van de belastbaarheid van appellant in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 mei 2007, maar acht hem wel in staat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies parking host, receptionist/baliemedewerker en wikkelaar te verrichten. Daarnaast heeft Emmelot bij rapportage van 25 september 2008 een reactie gegeven op het commentaar van het Uwv en van appellant op zijn deskundigenrapportage. Ten aanzien van het niet plaatsvinden van een aangekondigd aanvullend onderzoek door een neuroloog heeft Emmelot aangegeven: “Helaas heeft de opvatting postgevat dat aanvullend onderzoek het enige onderzoek is met objectiveerbare bewijskracht, hetgeen niet zo is.” De rechtbank heeft de deskundige gevolgd in zijn oordeel dat appellant op de datum in geding geschikt is te achten voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies en acht de in die functies voorkomende signaleringen voldoende toegelicht. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

4. Appellant kan zich niet verenigen met deze uitspraak. Het hoger beroep van appellant richt zich op het - volgens hem - noodzakelijk geachte neurologische onderzoek dat niet heeft plaatsgevonden. Appellant ontkent daarvoor te zijn opgeroepen. Hij stelt zich op het standpunt dat de rapportage en toelichting van Emmelot en de informatie van zijn destijds behandelend neuroloog een beknelling van de zenuwen in zijn rug niet uitsluiten, waardoor een aantal van de door hem ervaren beperkingen kunnen worden verklaard. Het Uwv heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn beperkingen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. In zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding bestaat tot afwijking van deze hoofdregel. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat Emmelot een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. De Raad overweegt verder dat deze op genoegzame wijze is ingegaan op de reactie van appellant op zijn rapportage van 25 juli 2008 en inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom hij heeft afgezien van een aanvullend neurologisch onderzoek. Dit standpunt van Emmelot vindt naar het oordeel van de Raad steun in de rapportage van neuroloog J.P. de Ruiter van 22 maart 2007, die appellant op 3 januari 2007 heeft onderzocht en die tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een uitgebreid en complex klachtengeheel zonder duidelijk neurologisch substraat. Van de zijde van appellant zijn daarnaast geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zijn beperkingen op de datum in geding als gevolg van een neurologische aandoening zijn onderschat.

5.3. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

IvR