Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4637

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
08/1143 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand.Terugvordering langdurigheidstoeslag. De Raad stelt vast dat appellant in februari 2001, mei 2001, augustus 2001, juni 2002, april 2003, maart 2004, april 2004, juli 2004, april 2005, juli 2005 en november 2005 telkens er aan heeft meegewerkt dat één auto is overgedragen. Ten aanzien van de auto met kenteken [nummer], met een tenaamstelling vanaf 2 maart 2005 en een sloopstatus per 6 april 2005, is de Raad van oordeel dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze auto voor eigen gebruik was en niet bestemd was voor de autohandel. Daarbij wordt opgemerkt dat de sloopprijs afhankelijk is van de staat van de aangeboden auto en appellant hier geen objectief verifieerbare gegevens over heeft verstrekt. Niet gebleken is dat appellant van deze auto eerder melding heeft gemaakt aan het College dan tijdens zijn verklaring van 23 november 2005. De Raad is daarom van oordeel dat de veranderingen van tenaamstellingen en andere handelingen en verrichtingen van appellant ten aanzien van de geëxporteerde en naar de sloop gebrachte auto’s onmiskenbaar van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1143 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 januari 2008, 07/466 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman en met M.J. Magalhaes Vitor Hugo als tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H. de Vos, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving, samen met mevrouw [C.], bijstand naar de norm voor gehuwden vanaf 23 oktober 1999 tot en met 4 januari 2006 en vanaf 6 april 2006, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand is informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer (RDW) en heeft appellant op 23 november en 5 december 2005 verklaringen afgelegd over de auto’s die in de periode van februari 2001 tot en met november 2005 op zijn naam waren gesteld. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 9 augustus 2006 de bijstand van appellant over februari 2001, mei 2001, augustus 2001, mei 2002, juni 2002, april 2003, juli 2003, maart 2005, april 2005, mei 2005, juli 2005 en november 2005 in te trekken en de gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand over die maanden van hem terug te vorderen. Verder is de aan appellant toegekende langdurigheidstoeslag van € 462,-- ingetrokken en teruggevorderd. Het totale bedrag dat van appellant wordt teruggevorderd bedraagt € 22.223,97.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 9 januari 2007 heeft het College de maanden waarover de bijstand wordt ingetrokken bepaald op februari 2001, mei 2001, augustus 2001, juni 2002, april 2003, maart 2004, april 2004, juli 2004, april 2005, juli 2005 en november 2005 en de vordering teruggebracht tot € 16.510,69. De hoogte van de teruggevorderde langdurigheidstoeslag is daarbij niet gewijzigd.

Aan het besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het College te melden dat hij heeft gehandeld in auto’s en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het recht op bijstand over de maanden in geding wel is vast te stellen. Hij heeft immers niet gehandeld in auto’s, doch slechts een vriend, [naam vriend] geholpen met het exporteren van auto’s naar Angola. Daarvoor heeft hij geen tegenprestatie ontvangen, maar slechts de toezegging dat [vriend] hem zou helpen zijn zieke zoon in Angola te helpen. Subsidiair is appellant van mening dat fictief een inkomen van € 50,-- per auto zou moeten worden vastgesteld en niet het volle bedrag per maand zou moeten worden teruggevorderd. Dit is onevenredig, omdat eerst in 2006 aan hem is meegedeeld dat hij de tenaamstellingen van auto’s moet melden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de kentekenregistratie van de RDW in de periode van februari 2001 tot en met november 2005 blijkt dat regelmatig kentekens op naam van appellant hebben gestaan. Deze kentekens stonden doorgaans gedurende betrekkelijk korte tijd op naam van appellant. Uit de kentekenregistratie van de RDW blijkt voorts dat tien voertuigen zijn geëxporteerd. Appellant heeft hiervan geen melding gemaakt aan het College. Hij heeft erkend dat deze auto’s zijn overgedragen aan derden, al dan niet voor gebruik in het buitenland. De Raad gaat er verder van uit dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat appellant in februari 2001, mei 2001, augustus 2001, juni 2002, april 2003, maart 2004, april 2004, juli 2004, april 2005, juli 2005 en november 2005 telkens er aan heeft meegewerkt dat één auto is overgedragen. Ten aanzien van de auto met kenteken [nummer], met een tenaamstelling vanaf 2 maart 2005 en een sloopstatus per 6 april 2005, is de Raad van oordeel dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze auto voor eigen gebruik was en niet bestemd was voor de autohandel. Daarbij wordt opgemerkt dat de sloopprijs afhankelijk is van de staat van de aangeboden auto en appellant hier geen objectief verifieerbare gegevens over heeft verstrekt. Niet gebleken is dat appellant van deze auto eerder melding heeft gemaakt aan het College dan tijdens zijn verklaring van 23 november 2005.

4.2. Het betoog van appellant dat het hier uitsluitend zou gaan om het verrichten van een vriendendienst voor [vriend] acht de Raad, gelet op het aantal transacties, niet aannemelijk. Aan de diverse in geding gebrachte stukken betreffende [vriend] kan de Raad niet de waarde hechten die appellant daaraan toegekend wil zien. Dat [vriend] mogelijk een aandeel had bij de aankoop van enkele auto’s dan wel was betrokken bij de import en verscheping van auto’s, betekent niet dat appellant, op wiens naam de auto’s gedurende korte tijd stonden, in het geheel geen handelingen heeft verricht ten aanzien van de auto’s en daarvoor geen enkele geldelijke tegenprestatie heeft ontvangen.

Bovendien heeft appellant erkend dat tegenover zijn verrichtingen in ieder geval een tegenprestatie stond in de vorm van hulp aan zijn zoon.

4.3. De Raad is daarom van oordeel dat de veranderingen van tenaamstellingen en andere handelingen en verrichtingen van appellant ten aanzien van de geëxporteerde en naar de sloop gebrachte auto’s onmiskenbaar van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Nu appellant hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het College, heeft hij dan ook in de maanden waarin transacties van auto’s hebben plaatsgevonden, de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in

bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene feiten te stellen en zonodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

Appellant heeft geen controleerbare gegevens verschaft over de met de transacties

verworven inkomsten. De Raad ziet geen reden om appellant te volgen in het standpunt dat vanwege de ouderdom van de in geding zijnde auto’s dient te worden uitgegaan van een fictief inkomen van bijvoorbeeld € 50,-- per auto. Daarom kan over de maanden in geschil niet meer worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellant verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw respectievelijk artikel 11, eerste lid, van de WWB.

4.5. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over onder 1.3 genoemde maanden. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat het College in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

4.6. Met het voorgaande is tevens gegeven dat over de onder 1.3 genoemde maanden aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan. Het College was dan ook bevoegd de kosten van de over die maanden aan appellant verleende bijstand van hem terug te vorderen en die terugvordering is in overeenstemming met de door het College ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregels. De Raad ziet geen aanleiding voor het standpunt van appellant om de terugvordering onevenredig te achten. Dit wordt niet anders doordat appellant eerst vanaf 2006 is meegedeeld dat hij tenaamstellingen van auto’s moest melden, aangezien, zoals hierboven overwogen, hij ook zonder die mededeling gehouden was die melding te doen.

Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 21 april 2009, LJN BH9423, faalt nu in die uitspraak een geheel andere grondslag voor terugvordering aan de orde was dan thans in geding. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb geheel of ten dele van die beleidsregels zou dienen af te wijken.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) C. de Blaeij.

mm