Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
08-234 WAO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (15 tot 25%). Juiste FML. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd aangegeven dat er geen grond is voor het oordeel dat het Uwv de onderhavige schatting niet heeft mogen baseren op de drie daaraan ten grondslag gelegde functies. De Raad heeft geen aanknopingspunt de motivering van de passendheid in medisch opzicht van de functies onvoldoende te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/234 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 november 2007, 07/2171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Delft, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, voorzien van rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2009. Namens appellant is verschenen mr. Van Delft. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 20 september 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 17 november 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum op minder dan 15% moet worden gesteld. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 september 2005 is bij besluit van 28 maart 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op 3 mei 2007 het door appellant tegen het besluit van 28 maart 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Bij besluit van 11 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 september 2005 gegrond verklaard en de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van 17 november 2005 gesteld op 15 tot 25%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt, naar aanleiding van de stellingen van partijen in hoger beroep, met betrekking tot de aangevallen uitspraak het volgende, waarbij de Raad aantekent dat de stellingen van partijen in hoger beroep in de kern een herhaling vormen van hetgeen zij in eerste aanleg hebben aangevoerd.

3.1. De rechtbank heeft geen aanknopingspunt gezien voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, op ondeskundige of onzorgvuldige wijze is verricht of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Het Uwv mocht derhalve uitgaan van de juistheid daarvan en het heeft volgens de rechtbank dusdoende op goede gronden en terecht geoordeeld dat er op de datum die in geding van belang is geen medisch objectiveerbare gronden aanwezig waren voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan die welke tot uitdrukking zijn gebracht in de voor appellant opgestelde zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers van 22 maart 2007 op begrijpelijke wijze uitvoerig gemotiveerd is uiteengezet dat in de FML in voldoende mate beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van de linkerschouderproblematiek van appellant, waardoor met name krachtsfuncties, zware belastingen en piekbelastingen zijn uitgesloten en ook de rechterarm wordt ontzien. In de geduide functies is er – aldus de bezwaarverzekeringsarts – geen sprake van hoogfrequente en extreme arm/handbewegingen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML op het aspect staan tijdens werk aangepast. Voor de juistheid van het standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel onjuist is vertaald in de FML, is geen aanknopingspunt aanwezig. Appellant heeft dienaangaande ook geen nadere medische stukken overgelegd. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Ook in hoger beroep heeft appellant geen objectieve medische gegevens overgelegd die nopen tot twijfel aan dit oordeel van de rechtbank.

3.2. Ook de stelling van appellant dat de met behulp van het zogeheten Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerde voorbeeldfuncties medisch niet passend zijn, wegens overschrijding van zijn belastbaarheid met betrekking tot bepaalde aspecten daarvan, kan de Raad niet onderschrijven. Naar aanleiding van de in 3.1 vermelde aanpassing van de FML zijn de aan appellant voorgehouden functies door de bezwaararbeidsdeskundige F. van den Berg handmatig onderzocht. Daarbij heeft de bezwaararbeidsdeskundige, blijkens haar rapportage van 23 april 2007, een aantal functies laten vervallen. De volgende - eerder geduide - functies resteren: wikkelaar (sbc-code 267050), sorteerder/controleur (sbc-code 111340) en machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122), op basis waarvan appellant is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Van den Berg heeft in haar rapportage de passendheid van de functies nader gemotiveerd. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd aangegeven dat er geen grond is voor het oordeel dat het Uwv de onderhavige schatting niet heeft mogen baseren op de drie daaraan ten grondslag gelegde functies. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en voegt daaraan nog het volgende toe.

In hoger beroep heeft het Uwv, door overlegging van een rapportage van 10 maart 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige P.G. Reijnen, met betrekking tot de door appellant genoemde belastbaarheidsaspecten in de functies wikkelaar en sorteerder een nadere toelichting gegeven. Daaruit blijkt dat in de functie wikkelaar de desbetreffende afloophaspel altijd op een karretje, voorzien van zwenkwielen, door twee medewerkers wordt verplaatst over een gladde vloer en dat daarbij de duw- en trekkracht in geen geval de 10 kg te boven gaat. Daar komt bij dat het gewicht van de haspels in de regel minder dan 80 kilogram bedraagt, omdat veelal reeds eerder gedeeltelijk afgewikkelde haspels worden gebruikt. De functie gaat daarom de belastbaarheid van appellant niet te boven. Voorts blijkt uit de rapportage van Reijnen dat er bij de werkzaamheden aan de lopende band in de functie van sorteerder weliswaar sprake is van een overschrijding van de toegestane frequentie ten aanzien van reiken, maar dat er als gevolg van het feit dat de sorteerder ruimschoots binnen de vastgestelde reikbelastbaarheid blijft, geen sprake is van extreme arm- en handbewegingen dan wel van een hoge frequentie, zodat ook de bezwaarverzekeringsarts Gommers, blijkens zijn rapportage van 6 maart 2008, mede gelet op het feit dat de beperkingen aan de bovenste extremiteiten bij appellant minimaal zijn, de functie als passend heeft aangemerkt.

De Raad heeft geen aanknopingspunt de motivering van de passendheid in medisch opzicht van genoemde functies onvoldoende te achten.

3.3. Gezien hetgeen is overwogen in 3.1 en 3.2 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

4. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

(get.) C.P.M. van de Kerkhof

(get.) I.R.A. van Raaij

EF