Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4617

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
08/6857 ANW + 08/6858 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beeindiging Anw-uitkering. Herziening AOW-pensioen. Terugvordering Anw-uitkering. Gezamenlijke huishouding. De Raad tekent aan dat met name het verbruik van water in de woning van appellante vanaf 1999 zodanig laag is, dat het, mede gelet op haar verklaring dat zij in die woning de was deed, onaannemelijk is dat zij in die woning vanaf 1999 haar hoofdverblijf heeft gehad. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellanten niet in hun standpunt dat zij mochten menen dat hun situatie vergelijkbaar was met de in voorlichtingsmateriaal van de Svb beschreven lat-relatie waaraan geen gevolgen voor uitkering of pensioen worden verbonden. Dat brengt mee dat appellanten hun inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 35 van de Anw en artikel 49 van de AOW niet zijn nagekomen. Ten aanzien van appellant heeft de Svb terecht aangenomen dat hij over de periode van 1 augustus 2002 tot 1 juli 2007 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. De Svb was derhalve gehouden het besluit tot toekenning van deze uitkering met toepassing van artikel 17a, eerste lid, van de AOW over die periode te herzien. De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW om van herziening af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/6857 ANW

08/6858 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], en [Appellant], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 oktober 2008, 08/1065 en 08/1546 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 24 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens elk van appellanten heeft mr. S.V. Hendriksen, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

De Svb heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Daarbij zijn de zaken ter behandeling gevoegd. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hendriksen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma, werkzaam bij de Svb.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf april 1998 een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw). Appellant ontving vanaf 1 augustus 2002 een pensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (hierna: AOW).

1.2. Naar aanleiding van de anonieme tip dat appellanten samenwonen, heeft de sociale recherche van de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte Anw-uitkering en het aan appellant verstrekte AOW-pensioen. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij derden en zijn appellanten verhoord. Het resultaat van het onderzoek is neergelegd in een proces-verbaal van 23 juli 2007.

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor de Svb aanleiding geweest tot het nemen van de volgende besluiten:

- het besluit van 30 oktober 2007 waarbij aan appellante is meegedeeld dat haar Anw-uitkering op 30 april 1999 eindigt;

- het besluit van 1 november 2007 waarbij het AOW-pensioen van appellant over de periode van augustus 2002 tot en met juni 2007 is herzien naar de norm voor iemand die met een ander persoon een gezamenlijke huishouding voert;

- het besluit van 10 december 2007 waarbij de Svb de over de periode van mei 1999 tot en met december 2005 aan appellante betaalde Anw-uitkering van haar heeft teruggevorderd tot een bedrag van € 7.942,42.

Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat appellanten in de maand april 1999 een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren en dat deze tot 1 juli 2007 heeft voortgeduurd.

1.4. Bij besluit van 30 januari 2008 heeft de Svb de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 30 oktober 2007 en 10 december 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft de Svb de bezwaren van appellant tegen het besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 30 januari 2008 en 11 maart 2008 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor het standpunt van de Svb dat appellanten vanaf mei 1999 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van artikel 3, derde lid, van de Anw en artikel 1, vierde lid, van de AOW. Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die appellanten tegenover de sociale recherche hebben afgelegd. De Raad volgt eveneens het oordeel van de rechtbank dat er geen redenen zijn op grond waarvan appellanten niet aan deze verklaringen mogen worden gehouden. De Raad kan zich in grote lijnen vinden in de overwegingen van de rechtbank dienaangaande, zoals opgenomen op de bladzijden 2 en 3 van de aangevallen uitspraak.

4.2. Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.2.1. Appellanten stellen dat er een discrepantie zit in hetgeen uit hun verklaringen blijkt over de aanvang van hun samenwoning. Wat daarvan verder ook zij, in deze verklaringen heeft de Svb voldoende grondslag kunnen vinden voor het standpunt dat het voeren van de gezamenlijke huishouding in elk geval is aangevangen in april 1999. In de verklaringen worden weliswaar ook twee andere aanvangsmomenten van de samenwoning genoemd, maar deze liggen vóór de door de Svb aangehouden datum.

4.2.2. Appellanten hebben voorts gegevens overgelegd over het ten tijde hier van belang in de afzonderlijke woningen van appellanten geregistreerde verbruik van gas, water elektriciteit. Die gegevens vormen evenwel geen bewijs dat de verklaringen van appellanten over (de aanvang van) hun samenwoning niet juist kunnen zijn. De gegevens over het verbruik van water en gas laten juist zien dat vanaf 1999 sprake is van een significante daling van dat verbruik in de woning van appellante en van een duidelijke stijging daarvan in de woning van appellant. Daarbij tekent de Raad aan dat met name het verbruik van water in de woning van appellante vanaf 1999 zodanig laag is, dat het, mede gelet op haar verklaring dat zij in die woning de was deed, onaannemelijk is dat zij in die woning vanaf 1999 haar hoofdverblijf heeft gehad.

4.3. Appellanten hebben de Svb niet op de hoogte gebracht van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellanten niet in hun standpunt dat zij mochten menen dat hun situatie vergelijkbaar was met de in voorlichtingsmateriaal van de Svb beschreven lat-relatie waaraan geen gevolgen voor uitkering of pensioen worden verbonden. Dat brengt mee dat appellanten hun inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 35 van de Anw en artikel 49 van de AOW niet zijn nagekomen.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de Svb ten aanzien van appellante terecht heeft vastgesteld dat zij in de maand april 1999 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 16, tweede lid, van de Anw eindigde het recht van appellante op Anw-uitkering met ingang van 1 mei 1999. De Svb was derhalve gehouden het besluit tot toekenning van deze uitkering met toepassing van artikel 34, eerste lid, van de Anw over de periode van 1 mei 1999 tot 1 juli 2007 in te trekken. De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Anw om van intrekking af te zien. De Svb was vervolgens op grond van artikel 53, eerste lid, van de Anw gehouden tot terugvordering van de over de hiervoor genoemde periode ten onrechte aan appellante betaalde Anw-uitkering. Van dringende redenen in de zin van artikel 53, vierde lid, van de Anw is evenmin gebleken.

4.5. Ten aanzien van appellant heeft de Svb terecht aangenomen dat hij over de periode van 1 augustus 2002 tot 1 juli 2007 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. De Svb was derhalve gehouden het besluit tot toekenning van deze uitkering met toepassing van artikel 17a, eerste lid, van de AOW over die periode te herzien. De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW om van herziening af te zien.

4.6. De hoger beroepen slagen dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet in geen van beide zaken aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B.E. Giesen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ