Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
08-1025 AOW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het aan appellant toegekende ouderdomspensioen wordt niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan januari 2002 verhoogt. De Raad dient te toetsen of de Svb heeft gehandeld in strijd met de uitgangspunten. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om deze vraag bevestigend te beantwoorden. De Raad voegt hieraan toe dat de toepassing van de uitgangspunten, gezien de door appellant aangevoerde gronden, niet in strijd komt met het recht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1025 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 18 december 2007, 07/1470 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 25 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. van Lingen, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2009. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Sturmans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. De Svb heeft appellant met ingang van augustus 1995 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Bij de vaststelling van het recht van appellant op een toeslag op dit ouderdomspensioen heeft de Svb de Wajong-uitkering van de echtgenote van appellant aangemerkt als inkomen in verband met arbeid.

1.3. Bij besluit van 6 maart 2007 heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellant over de periode januari 2002 tot en met februari 2007 herzien en bepaald dat appellant in aanmerking komt voor een nabetaling van € 23.265,39 netto. Daarbij is aangegeven dat de Wajong-uitkering van de echtgenote van appellant ten onrechte is aangemerkt als inkomen in verband met arbeid, waardoor ten onrechte is gekort op de toeslag. De korting wordt met een terugwerkende kracht van vijf jaar ongedaan gemaakt.

1.4. Bij besluit van 16 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 maart 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb aangegeven dat indien blijkt dat een rechtens onaantastbaar besluit onmiskenbaar onjuist is door een fout van de Svb, hij zich in redelijkheid gehouden acht ambtshalve hiervan terug te komen met een terugwerkende tot vijf jaar. De bevoegdheid om ten voordele van de belanghebbende terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit is van discretionaire aard, waarbij het door de Svb gevoerde beleid door de Raad is aanvaard. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de Svb nog gewezen op het feit dat de wijziging in de kwalificatie van een Wajong-uitkering is doorgevoerd naar aanleiding van jurisprudentie van de Raad uit 2000.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 16 mei 2007 gegrond verklaard voor zover de Svb heeft verzuimd een beslissing te nemen op het verzoek van appellant tot vergoeding van wettelijke rente en van fiscale schade. De rechtbank heeft het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het beroep van appellant voor het overige ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en aangegeven dat de fout van de Svb niet pas met ingang van 2002 maar met ingang van augustus 1995 dient te worden hersteld. Appellant heeft daarbij aangegeven dat als hij te veel zou hebben ontvangen hij wel zou moeten terugbetalen ongeacht de periode dus ook voor 2002.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de Svb aangegeven dat inmiddels wettelijke rente is betaald over de nabetaling en dat de door appellant voor fiscale advisering geclaimde kosten aan hem zijn vergoed. Tussen partijen is nog in geschil of de Svb heeft kunnen besluiten het aan appellant toegekende ouderdomspensioen niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan januari 2002 te verhogen.

4.3. Mede gelet op de jurisprudentie van de Raad in het kader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt de Raad vast dat een bestuursorgaan in beginsel bevoegd is ten gunste van een betrokkene terug te komen op een eerder ambtshalve genomen besluit. Gebruikmaking van deze discretionaire bevoegdheid kan echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Dienaangaande hanteert de Svb het beleid dat hij zich in redelijkheid gehouden acht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit indien dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht en de onjuistheid een gevolg is van een fout van de Svb. De uitkering wordt in dergelijke gevallen verhoogd met een volledig terugwerkende kracht, echter tot een maximum van vijf jaar.

4.4. Nu de Svb gevallen als het onderhavige beoordeelt aan de hand van de hiervoor weergegeven uitgangspunten dient de Raad te toetsen of de Svb heeft gehandeld in strijd met deze uitgangspunten. De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om deze vraag bevestigend te beantwoorden. De Raad voegt hieraan toe dat de toepassing van deze uitgangspunten in de onderhavige zaak, gezien de door appellant aangevoerde gronden, niet in strijd komt met het recht.

4.5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigd de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

RB