Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
09-3903 WMO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigen bijdrage. Beide brieven in samenhang bezien leiden tot de conclusie dat het College aan appellante het besluit heeft kenbaar gemaakt dat de invoering van de Wmo tot gevolg heeft dat zij, net als onder de Wvg het geval was, in aanmerking komt voor de vervoersvoorziening in de vorm van de deeltaxi, dat aan haar geen eigen bijdrage op grond van de Wmo zal worden opgelegd en dat zij voor het gebruik van de deeltaxi, net als voorheen, een bijdrage overeenkomstig het blauwe strippenkaarttarief moet betalen. Voor de namens appellante aangedragen lezing van het begrip ‘eigen bijdrage’ met als slotsom dat de brief van 15 januari 2007 zo moet worden begrepen dat zij voor het gebruik van de deeltaxi niets zou hoeven bij te dragen, bestaat naar het oordeel van de Raad dan ook geen grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/3903 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

op het hoger beroep van

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2009, 08/3956 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2009. Voor appellante is verschenen mr. Wohlgemuth Kitslaar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Kersen, werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante beschikte in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) over een vervoersvoorziening in de vorm van het gebruik van de deeltaxi. Omdat per 1 januari 2007 de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) in werking is getreden, heeft het College appellante bij besluit van 15 januari 2007 meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2007 de deeltaxi vergoed krijgt uit de Wmo, dat zij nu geen eigen bijdrage hoeft te betalen en dat dit ook niet hoeft vanaf 1 januari 2008, en dat voor deze voorziening er niets verandert.

1.2. Naar aanleiding van voormeld besluit heeft appellante het College schriftelijk verzocht om toezending van een bewijs of een pasje, waaruit blijkt dat de kosten van de deeltaxi volledig voor rekening zijn van de gemeente en dat appellante niets hoeft te betalen. Vervolgens heeft het College bij besluit van 5 februari 2007 appellante bericht dat het besluit van 15 januari 2007 is vervallen, dat appellante de deeltaxi vanaf 1 januari 2007 vergoed krijgt uit de Wmo, dat zij geen eigen bijdrage Wmo hoeft te betalen, en dat appellante een eigen bijdrage aan de gemeente betaalt die gelijk is aan het blauwe strippenkaarttarief.

1.3. Bij besluit van 6 november 2008 heeft het College het tegen het besluit van 5 februari 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het College heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat appellante onder de werking van de Wvg gebruik maakte van de deeltaxi tegen het blauwe strippenkaarttarief, zodat met het besluit van 5 februari 2007 geen sprake is van een verslechtering van de positie van appellante. Het tarief voor de deeltaxi in de vorm van het strippenkaarttarief kan volgens het College niet worden aangemerkt als een eigen bijdrage op grond van de Wmo. Met het besluit van 5 februari 2007 is een uitleg gegeven aan de in de brief van 15 januari 2007 gebruikte bewoordingen. Voorts heeft het College zich op het standpunt gesteld dat met de aan appellante toegekende vervoersvoorziening is voldaan aan de in de Wmo neergelegde compensatieplicht. Bij het strippenkaarttarief gaat het om kosten voor vervoer die iedereen die gebruik maakt van het openbaar vervoer geacht wordt uit eigen middelen te voldoen. Ten slotte ziet het College geen aanleiding voor toepassing van de in de Verordening individuele verstrekkingen Wmo gemeente ’s-Hertogenbosch 2007 (hierna: Verordening) vervatte hardheidsclausule.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de essentie van het besluit van 8 januari 2007 (lees: 15 januari 2007) bij het besluit van 5 februari 2007 niet is gewijzigd. Die essentie is dat appellante slechts een eigen bijdrage die gelijk is aan het blauwe strippenkaarttarief hoeft te betalen. Er is dan ook volgens de rechtbank geen sprake van een verslechtering van de rechtspositie van appellante en evenmin van ontstane schade als gevolg van een inhoudelijke wijziging van het besluit. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de gestelde beperkte financiële middelen van appellante geen zodanige bijzondere omstandigheid vormen die, gelet op het bepaalde in artikel 35 van de Verordening, aanleiding geeft tot toepassing van de hardheidsclausule. Ten slotte heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

3. Appellante heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de essentie van het besluit van 8 januari 2007 (lees: 15 januari 2007) inhield dat aan haar gebruik van de deeltaxi zonder eigen bijdrage was toegekend, terwijl de essentie van het besluit van 15 februari 2007 het gebruik van de deeltaxi met eigen bijdrage is. Volgens appellante is hierdoor sprake van een verslechtering van haar rechtspositie en van schade. Voorts heeft appellante onder verwijzing naar artikel 4, tweede lid, van de Wmo verwezen naar haar beperkte financiële middelen. Volgens appellante heeft het College geen onderzoek gedaan om te komen tot een (deugdelijk) inzicht in haar capaciteit om zelf in de kosten te voorzien. Evenmin is onderzocht of er aanleiding had moeten zijn om de hardheidsclausule toe te passen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Artikel 1 van de Wmo bepaalt het volgende:

“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (...)

g. maatschappelijke ondersteuning (…)

5. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

6. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het onderhouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer: (…).”.

4.1.2. Artikel 4 van de Wmo bepaalt het volgende:

“1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen voorzien.”.

4.1.3. Artikel 15 van de Wmo luidt als volgt:

“1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

2. De hoogte van de eigen bijdrage kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage.”.

De in artikel 15, derde lid, van de Wmo bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Stb. 2006, 450).

4.1.4. Artikel 5 van de Wmo luidt als volgt:

“1. De gemeenteraad stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

(…).”.

Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente ’s-Hertogenbosch uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening.

4.1.5. Ingevolge artikel 1, onderdeel j (per 1 november 2007 onderdeel k), van de Verordening wordt in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving verstaan onder eigen bijdrage een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget voor rekening van de aanvrager komt.

4.1.6. Artikel 7 van de Verordening bepaalt dat de aanvrager bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet een eigen bijdrage verschuldigd is of dat de financiële tegemoetkoming afgestemd wordt op het inkomen. Het College legt in het Besluit individuele verstrekkingen Wmo gemeente ’s-Hertogenbosch 2007 (hierna: Besluit 2007) de omvang van de eigen inbreng vast met inachtneming van het Besluit maatschappelijke ondersteuning.

4.1.7. Ingevolge artikel 34, per 1 november 2007 artikel 35 van de Verordening kan het College in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon met beperkingen of de woningeigenaar afwijken van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald, indien strikte toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.1.8. Blijkens de toelichting bij het Besluit 2007 wordt een eigen bijdrage gevraagd bij een voorziening in de vorm van onder meer een scootmobiel, een ander vervoermiddel, en bij de aanpassingskosten van een eigen auto.

4.2. De Raad stelt vast dat het geschil primair betreft de vraag of appellante ten gevolge van de brief van 5 februari 2007 in een slechtere positie is geraakt ten opzichte van de brief van 15 januari 2007. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

4.3. Bij brief van 15 januari 2007 heeft het College onder meer het volgende aan appellante te kennen gegeven:

“Overgangsregeling In de overgangsregeling staat dat de invoering van de WMO voor u geen negatieve gevolgen mag hebben in 2007. Vanaf 2008 bestaat de kans dat u een eigen bijdrage moet gaan betalen. Onderstaand is gespecificeerd van welke voorziening(en) u gebruikt maakt. Bij elke voorziening wordt vermeld wat de wetswijziging met zich meebrengt in uw situatie.

Deeltaxi U krijgt vanaf 1 januari 2007 de deeltaxi vergoed uit de Wmo. U hoeft nu geen eigen bijdrage te betalen en hoeft dat ook niet vanaf 1 januari 2008. Voor deze voorziening verandert er niets.”.

Naar het oordeel van de Raad moet het in de brief van 15 januari 2007 gehanteerde begrip ‘eigen bijdrage’, gezien de samenhang tussen de onderdelen ‘overgangsregeling’ en ‘deeltaxi’, zo worden begrepen dat dit ziet op de eigen bijdrage als bedoeld in de Wmo en de daarop gebaseerde regelgeving. Anders dan appellante meent, kan daaruit niet worden afgeleid dat zij, anders dan onder de Wvg het geval was, voor het gebruik van de deeltaxi niets zou hoeven te betalen. Een bevestiging van deze zienswijze leest de Raad in de mededeling: “Voor deze voorziening verandert er niets.”.

4.4. Uit de in 4.3 weergegeven lezing van het begrip ‘eigen bijdrage’ vloeit voort dat de bij brief van 5 februari 2007 gegeven toelichting op de brief van 15 januari 2007 geen zelfstandige betekenis heeft. In de brief van 5 februari 2007 wordt herhaald dat appellante voor de deeltaxi geen ‘eigen bijdrage Wmo’ hoeft te betalen. Net als voorheen is zij een bijdrage, gelijk aan het blauwe strippenkaarttarief, verschuldigd voor gebruik van de deeltaxi.

4.5. Beide brieven in samenhang bezien leiden tot de conclusie dat het College aan appellante het besluit heeft kenbaar gemaakt dat de invoering van de Wmo tot gevolg heeft dat zij, net als onder de Wvg het geval was, in aanmerking komt voor de vervoersvoorziening in de vorm van de deeltaxi, dat aan haar geen eigen bijdrage op grond van de Wmo zal worden opgelegd en dat zij voor het gebruik van de deeltaxi, net als voorheen, een bijdrage overeenkomstig het blauwe strippenkaarttarief moet betalen. Voor de namens appellante aangedragen lezing van het begrip ‘eigen bijdrage’ met als slotsom dat de brief van 15 januari 2007 zo moet worden begrepen dat zij voor het gebruik van de deeltaxi niets zou hoeven bij te dragen, bestaat naar het oordeel van de Raad dan ook geen grond.

4.6. Voorts ziet de Raad geen aanleiding om aan te nemen dat het College met het in rekening brengen van het blauwe strippenkaarttarief voor gebruik van de deeltaxi de capaciteit van appellante om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien heeft miskend. Deze kosten bedragen niet meer dan een valide persoon voor het openbaar vervoer pleegt te betalen. Voorts is niet gebleken dat de betaling door appellante overeenkomstig dit tarief tot onaanvaardbare consequenties heeft geleid. De Raad ziet dan ook evenmin aanleiding voor het oordeel dat het College in de situatie van appellante toepassing had moeten geven aan de in artikel 35 van de Verordening opgenomen hardheidsclausule.

5. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling tot schadevergoeding is, gelet hierop, geen plaats.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep;

Rechtdoende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) I. Mos.

mm