Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4608

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
07-6456 WVG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om een financiële tegemoetkoming in de kosten van de aanbouw te verstrekken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat binnen de oppervlakte ten behoeve van appellant aanpasbaar gebouwd kan worden, waarbij rekening gehouden kan worden met zijn beperkingen en met het aantal vierkante meters dat voor hem per vertrek noodzakelijk is. Het betoog van appellant dat bij de grootte van de nieuwe woning ook rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van de overige gezinsleden doet hier niet aan af. Appellant heeft niet onderbouwd, dat in verband met de naar objectieve maatstaven minimaal benodigde ruimte voor gebruik door gezinsgenoten, een bouwoppervlak van meer dan 80 m² noodzakelijk is. De Raad verwijst in dit verband naar artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de Verordening. Hieruit vloeit voort dat, nu de gevraagde woonvoorzieningen zien op appellant, de (woon)wensen van de overige gezinsleden bij de beoordeling van de vraag of en zo ja in hoeverre appellant voor die woonvoorzieningen in aanmerking komt in beginsel buiten beschouwing dienen te blijven. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat CIZ in haar programma van eisen is uitgegaan van een aanbouw en dat het College hiervan ten onrechte is afgeweken. De grief dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien het College voor situaties als de onderhavige geen beleid(sregels) heeft opgesteld, kan evenmin slagen, nu het College op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving niet gehouden is om ter uitoefening van zijn bevoegdheid in het kader van de Wvg beleid(sregels) vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010, 37
RSV 2010, 34

Uitspraak

07/6456 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wettelijk vertegenwoordigd door [naam vader], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 oktober 2007, 07/46 en 07/49 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2009. Voor appellant is verschenen zijn vader, [naam vader]. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren [in] 2005, is onder meer bekend met een aangeboren orthopedisch-neurologische aandoening en met uitvalverschijnselen in beide benen. In verband met deze aandoening is op 7 februari 2006 bij het College in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) verzocht om een woningaanpassing in de vorm van woonvoorzieningen in een in eigen beheer nieuw te bouwen aangepaste woning met een slaapkamer en een natte cel op de begane grond. Deze ruimtes bevinden zich blijkens de overgelegde bouwtekeningen in een aanbouw bij de nieuw te bouwen woning.

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) desgevraagd op 15 maart 2006 een medisch advies aan het College uitgebracht. In dit advies is onder meer geconcludeerd dat appellant als gevolg van zijn aandoening in de toekomst zeer beperkt tot lopen in staat zal zijn en dat het het meest waarschijnlijk is dat hij in de toekomst rolstoelafhankelijk zal zijn. De huidige woning zal moeilijk aan te passen zijn. Voorts heeft CIZ een programma van eisen opgesteld waaraan de nieuw te bouwen woning moet voldoen. Bij dit programma van eisen is een aantal schetsen gevoegd met mogelijke indelingen van de slaapkamer en de natte cel.

1.3. Bij besluit van 16 mei 2006 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant op dit moment onvoldoende aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek ondervindt om over te gaan tot een verstrekking van een woningaanpassing.

1.4. Bij besluit van 21 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft zich hierbij onder meer op het standpunt gesteld dat de gemiddelde oppervlakte van een vrije sector nieuwbouwwoning groot genoeg is om binnen de omtrek van die woning dusdanig aanpasbaar te bouwen dat deze woning geschikt is voor bewoning door een gehandicapte. Daarbij is niet van belang hoe die ruimte vervolgens wordt benut, maar of de ruimte zodanig is dat de mogelijkheid bestaat om deze in te delen op een wijze dat deze geschikt is voor een huishouden met een gehandicapte. Hierbij moeten bepaalde ruimten aan minimaal noodzakelijke maten voldoen. Het totale aantal vierkante meters dat volgens het College voor appellant noodzakelijk is, is 68. Dit past binnen de door appellant ingeleverde bouwtekening waarbij sprake is van een woonoppervlak van ongeveer 80 m² op de begane grond.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht - het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, voor zover daarbij niet is beslist op de door CIZ geadviseerde andersoortige voorzieningen, en het College opgedragen hierover een besluit te nemen. Met betrekking tot de slaapkamer en de natte cel heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 20 juli 2005 (LJN AU0652) onder meer geoordeeld dat het door het College gehanteerde uitgangspunt niet onredelijk is en dat het College terecht heeft geweigerd om een financiële tegemoetkoming in de kosten van de aanbouw te verstrekken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor de verlening van onder meer woonvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht, zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.

4.2.1. Ter uitvoering van de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg neergelegde opdracht heeft de raad van de gemeente Nijmegen de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Nijmegen 1996 (hierna: Verordening) vastgesteld.

4.2.2. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover deze in overwegende mate op het individu is gericht.

4.2.3. Artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Verordening bepaalt dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing.

4.2.4. Artikel 1.3, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat burgemeester en wethouders de hoogte van de financiële tegemoetkomingen voor onder meer woonvoorzieningen vast stellen overeenkomstig het bepaalde in het Besluit financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten (hierna: Besluit).

4.2.5. Ingevolge artikel 2.9 van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders, voor zover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Verordening betreft het uitbreiden van bestaande woningen dan wel het groter bouwen van een nieuw te bouwen woning dan zonder de voorzieningen nodig zou zijn, een bijdrage verlenen voor de extra te verwerven grond die ten hoogste overeenkomt met de bijdrage voor het aantal vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de buitenruimte bij de woning, zoals vermeld in bijlage I van het Besluit.

4.2.6. In bijlage I van het Besluit is, voor zover hier van belang, het aantal vierkante meters per vertrek vermeld waarvoor ten hoogste een financiële tegemoetkoming wordt verleend in de situatie dat sprake is van een aanbouw van een vertrek. Voor de woonkamer is dit 30 m², voor de keuken 10 m², voor een eenpersoonsslaapkamer 10 m², voor een toiletruimte 2 m², voor een wastafelruimte 2 m², voor een doucheruimte 3 m², voor de hal 5 m² en voor de berging 6 m². In totaal komt dit neer op 68 m². Deze afmetingen zijn volgens het College minimaal noodzakelijk voor gebruik door een gehandicapte.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het onder 4.2.6 vermelde aantal vierkante meters per vertrek voor appellant voldoende is. Tussen partijen is evenmin in geschil dat het oppervlak van de te bouwen woning exclusief de aanbouw 80 m² is. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat binnen deze oppervlakte ten behoeve van appellant aanpasbaar gebouwd kan worden, waarbij rekening gehouden kan worden met zijn beperkingen en met het aantal vierkante meters dat voor hem per vertrek noodzakelijk is. Het betoog van appellant dat bij de grootte van de nieuwe woning ook rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van de overige gezinsleden doet hier niet aan af. Appellant heeft niet onderbouwd, dat in verband met de naar objectieve maatstaven minimaal benodigde ruimte voor gebruik door gezinsgenoten, een bouwoppervlak van meer dan 80 m² noodzakelijk is. De Raad verwijst in dit verband naar artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de Verordening. Hieruit vloeit voort dat, nu de gevraagde woonvoorzieningen zien op appellant, de (woon)wensen van de overige gezinsleden bij de beoordeling van de vraag of en zo ja in hoeverre appellant voor die woonvoorzieningen in aanmerking komt in beginsel buiten beschouwing dienen te blijven.

4.4. De Raad kan appellant niet volgen in zijn betoog dat CIZ in haar programma van eisen is uitgegaan van een aanbouw en dat het College hiervan ten onrechte is afgeweken. Blijkens het programma van eisen heeft CIZ per vertrek geadviseerd aan welke eisen dit vertrek, gelet op de rolstoelafhankelijkheid van appellant, moet voldoen. CIZ heeft niet gesteld dat ter zake van de slaapkamer en de natte cel sprake moet zijn van een aanbouw aan de nieuw te bouwen woning.

4.5. De grief dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien het College voor situaties als de onderhavige geen beleid(sregels) heeft opgesteld, kan evenmin slagen, nu het College op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving niet gehouden is om ter uitoefening van zijn bevoegdheid in het kader van de Wvg beleid(sregels) vast te stellen.

4.6. Uit het onder 4.3 tot en met 4.5 overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

4.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) I. Mos.

NW