Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4607

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
01-12-2009
Zaaknummer
08-2020 WWB + 08-2021 WWB + 08-2781 WWB + 08-2783 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Appellant ontving pensioen in Turkije. Schending inlichtingenverplichting. Overschrijding vermogensgrens. Vaststelling waarde onroerend goed in Turkije. Betekenis toekennen aan de in opdracht van de ambassade door een makelaar verrichte waardebepaling. College is teruggekomen van het bedrag van de terugvordering. Geen bijzondere omstandigheden om af te zien van terugvordering. Raad vernietigt besluit voorzover betrekking hebbend op de terugvordering. Raad voorziet zelf en bepaalt het bedrag van de terugvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2020 WWB

08/2021 WWB

08/2781 WWB

08/2783 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 februari 2008, 07/452 en 07/453 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.P. Smit, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Appellanten zijn daar vertegenwoordigd door mr. Smit. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S.H.N. Finkers-Weekamp, werkzaam bij de gemeente Almelo.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen (aanvullende) bijstand vanaf 26 januari 1999 tot 1 april 2000 en vanaf 30 oktober 2000 naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In een gesprek met een sociaal rechercheur en een kwaliteitsmedewerker van de gemeente Almelo met appellanten over te late vakantiemelding en te lange vakantieduur is naar voren gekomen dat appellanten vermogen hebben in Turkije en dat appellant aldaar een pensioen geniet, welke feiten nog niet bekend waren bij het College. Het College heeft de betaling van de bijstand in afwachting van nader onderzoek met ingang van 1 augustus 2005 geblokkeerd.

1.3. Vervolgens heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Daarbij zijn appellanten verhoord door de sociale recherche. Voorts is de Nederlandse ambassade te Ankara gevraagd te rapporteren over de vraag of appellante onroerend goed bezit in Turkije en of appellant aldaar pensioen geniet. In de rapportage vermogensonderzoek Turkije van 10 mei 2006 heeft de ambassade aan het College bericht dat appellant sinds 15 augustus 1989 een pensioen ontvangt van omgerekend € 290,26 per maand en dat appellante sinds 25 augustus 2000 een appartement op haar naam heeft staan, dat door een door de ambassade ingeschakelde makelaar op een waarde van € 25.000,-- is getaxeerd. Het onderzoek is afgesloten met een Rapportage Fraude van 5 oktober 2006.

1.4. Bij besluit van 9 oktober 2006 heeft het College met toepassing van de artikelen 17, eerste lid, en 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand met ingang van 26 januari 1999 ingetrokken op de grond dat appellanten in verband met het pensioen en hun overige inkomsten een inkomen hadden boven de bijstandsnorm, dat zij een vermogen hadden boven de vermogensgrens, en dat zij van dit pensioen en dat vermogen in strijd met hun inlichtingenverplichting geen mededeling hadden gedaan aan het College. Voorts heeft het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellanten een bedrag van € 22.576,27 teruggevorderd, welk bedrag door hen ineens diende te worden betaald.

1.5. Bij besluit van 7 maart 2007 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2006 ongegrond verklaard en een verzoek om toekenning van kosten van de bezwaarprocedure afgewezen. Bij nader besluit van 19 april 2007 heeft het College het bedrag van aflossing vastgesteld op € 76,-- per maand en aan appellanten een vergoeding van kosten van de bezwaarprocedure toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - de beroepen tegen de besluiten van 7 maart 2007 en 19 april 2007 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de invordering, en bepaald dat het College opnieuw op de bezwaren moet beslissen.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank de besluiten van 7 maart 2007 en 19 april 2007 aangaande de intrekking en terugvordering niet heeft vernietigd. Zij hebben aangevoerd dat de waarde van het onroerend goed in Turkije onjuist en/of onzorgvuldig is vastgesteld en dat er geen sprake is geweest van een waarde boven het vrij te laten vermogen.

4. Bij besluit van 10 april 2008 heeft het College ter uitvoering van de aangevallen uitspraak de bezwaren van appellanten tegen de hoogte van de invordering gegrond verklaard en deze voor een jaar vastgesteld op nihil. Dit besluit is tussen partijen niet in geschil en behoeft derhalve geen (verdere) bespreking door de Raad.

5. Ter zitting van de Raad is van de kant van het College meegedeeld dat het bedrag van terugvordering onjuist is berekend en te hoog is vastgesteld, en dat het College de besluiten van 9 oktober 2006 en 7 maart 2007 in zoverre wil intrekken. Daarbij is de Raad verzocht zelf in de zaak te voorzien. Het College heeft daartoe een uitgebreide berekening overgelegd, die uitkomt op een bedrag van € 20.496,30. De gemachtigde van appellanten heeft ermee ingestemd dat de Raad zelf in de zaak voorziet. Hij heeft verder meegedeeld dat de overgelegde berekening in cijfermatig opzicht geen bezwaren oproept.

6. De Raad komt met betrekking tot de intrekking tot de volgende beoordeling.

6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant een pensioen ontving in Turkije en dat appellante aldaar onroerend goed bezat. Evenmin is in geschil dat appellanten in verband hiermee hun inlichtingenverplichting hebben geschonden.

6.2. Appellanten hebben de ingangsdatum, de hoogte en de tegenwaarde in euro’s van het pensioen van appellant in hoger beroep niet meer bestreden, en ook niet de bevoegdheid van het College om in verband met dit pensioen de verleende bijstand te herzien of in te trekken. Tussen partijen is ook niet in geschil dat in de periode van 26 januari 1999 tot

1 april 2000 en van 30 oktober 2000 tot 1 januari 2002 het inkomen van appellanten met inbegrip van dit pensioen hoger was dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Appellanten hadden in die perioden derhalve geen recht op aanvullende bijstand.

6.3. Met betrekking tot de periode vanaf 1 januari 2002 tot en met de datum van het primaire besluit van 9 oktober 2006 overweegt de Raad het volgende. Appellanten betogen dat de waarde van het onroerend goed in Turkije zodanig laag is geweest dat hun vermogen is gebleven beneden de vermogensgrens, en dat zij derhalve recht hadden op aanvullende bijstand. Zij hebben daartoe gewezen op een verklaring van [S.] van 25 april 2008. Deze heeft verklaard dat hij het appartement van appellante sinds januari 2007 te koop heeft aangeboden en dat die verkoop niet mogelijk is omdat het appartement geen zon ziet, 35 jaar oud is en al jaren niet goed onderhouden is. Belangstellenden hebben niet meer dan € 8.000,-- à € 9.000,-- geboden. De Raad is echter van oordeel dat op basis hiervan, en in het licht van de taxatie die in opdracht van de Nederlandse ambassade is verricht, niet aannemelijk is gemaakt dat in de periode van 1 januari 2002 tot 1 augustus 2005 de waarde inderdaad slechts € 9.000,-- is geweest. De Raad kent daarbij meer betekenis toe aan de in opdracht van de ambassade door een makelaar verrichte waardebepaling, die voorzien is van foto’s en die mede is gebaseerd op belastinggegevens. Op grond hiervan volgt de Raad niet de stelling van appellanten dat de waarde van het appartement in deze periode niet in de weg stond aan verlening van aanvullende bijstand, maar gaat er daarentegen met het College vanuit dat appellanten wegens vermogensoverschrijding geen recht op bijstand hadden.

6.4. Het voorgaande voert tot de conclusie dat het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstand van appellanten over de periode van 26 januari 1999 tot 1 april 2000 en vanaf 30 oktober 2000 in te trekken. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van intrekking gehanteerde beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het beleid had moeten afwijken. Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat dit gedeelte van het besluit van 7 maart 2007 in rechte stand houdt.

7. Met betrekking tot de terugvordering overweegt de Raad het volgende.

7.1. Uit onderdeel 5 van deze uitspraak blijkt dat het College het besluit van 7 maart 2007, voor zover dat het bedrag van de terugvordering betreft, niet handhaaft. Dit betekent dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak in zoverre, dit onderdeel van het besluit van 7 maart 2007 dient te worden vernietigd.

7.2. De Raad ziet aanleiding het geschil op dit onderdeel finaal te beslechten. Uit hetgeen in 6.4 is overwogen vloeit voort dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van de over de periode van 26 januari 1999 tot 1 april 2000 en van 30 oktober 2000 tot en met 31 juli 2005 aan appellanten verleende bijstand terug te vorderen. Het standpunt van het College om tot volledige terugvordering van deze kosten over te gaan is in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van het beleid zou moeten afwijken. Gelet op het voorgaande zal de Raad het bezwaar tegen de terugvordering gegrond verklaren en het bedrag van de terugvordering - in zoverre derhalve met herroeping van het besluit van 9 oktober 2006 - bepalen op € 20.496,30.

8. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de terugvordering;

Bevestigt de aangevallen uitspraak - voor zover deze is aangevochten - voor het overige;

Vernietigt het besluit van 7 maart 2007 voor zover het de terugvordering betreft;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2006, voor zover het de terugvordering betreft, gegrond en stelt het bedrag van de terugvordering vast op € 20.496,30;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B.E. Giesen.

IJ