Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
27-11-2009
Zaaknummer
08-699 WVG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aanvraag voor een gesloten buitenwagen. De Raad is niet gebleken dat het advies van 16 mei 2006 met betrekking tot de nieuwe medische gegevens onzorgvuldig tot stand is gekomen of onjuist is. Appellant heeft niet aan de hand van medische stukken aangetoond, dat bij hem op medisch objectieve gronden sprake is van een aandoening waardoor hij geen gebruik kan maken van de scootmobiel. De door appellant gestelde verergering van zijn klachten kan dan ook niet als nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt. Wat betreft de verhuizing, die volgens appellant tot een grotere vervoersbehoefte leidt, en het wegvallen van de auto gaat het op zichzelf om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Deze dwongen het College echter niet tot een ander besluit. Uit het medisch advies van 16 mei 2006 blijkt immers dat appellant nog steeds, adequaat gekleed, gebruik kan maken van zijn scootmobiel en voor zijn vervoer niet is aangewezen op een gesloten buitenwagen. Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat het College niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/699 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

UITSPRAAK

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 14 december 2007, 07/382 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.J. Coenen, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2009. Voor appellant is verschenen mr. M.E. Kikkert, advocaat te Enschede. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Jeurink, werkzaam bij de gemeente Enschede.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is bekend met schouderklachten, rugklachten als gevolg van een hernia, CARA, en chronische pijnklachten. In verband met de hieruit voortvloeiende beperkingen zijn aan appellant in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) vervoersvoorzieningen toegekend in de vorm van een scootmobiel en deelname aan het collectief vervoer.

1.2. Bij besluit van 5 augustus 2005 heeft het College de aanvraag van appellant van 4 februari 2005 om hem in het kader van de Wvg een gesloten buitenwagen toe te kennen afgewezen op de grond dat deze voorziening blijkens medisch onderzoek niet voor hem noodzakelijk is. Appellant kan op adequate wijze gebruik maken van een scootmobiel. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.3. Op 17 februari 2006 heeft appellant bij het College in het kader van de Wvg opnieuw een aanvraag voor een gesloten buitenwagen ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het College de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) om een medisch advies gevraagd. Hierop heeft CIZ in het advies van 16 mei 2006 geconcludeerd dat appellant problemen ervaart met het gebruik van de scootmobiel bij koud weer en over grotere afstanden, maar dat medisch gezien geen noodzaak bestaat voor gesloten buitenvervoer. Appellant is volgens CIZ in staat gebruik te maken van een scootmobiel, waarbij hij zich kan kleden tegen kou en slechte weersomstandigheden. Vervolgens heeft het College de aanvraag van appellant van 17 februari 2006 bij besluit van 7 juni 2006 afgewezen.

1.4. Bij besluit van 23 februari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het collectief vervoer en de in bruikleen verstrekte scootmobiel geen toereikende vervoersvoorzieningen vormen. Volgens het College is niet gebleken dat het onderzoek door de medische adviseur niet op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, noch dat het advies niet consistent is.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het besluit van 23 februari 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), nu appellant na het besluit van 5 augustus 2005 is verhuisd naar een woning buiten het centrum van Enschede en op voorhand niet is uitgesloten dat de verhuizing afdoet aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop die berusten. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het medische onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze is geschied. Gelet op de inhoud van dit advies heeft het College aan zijn besluit ten grondslag kunnen leggen dat appellant niet voldoet aan de in de Verordening neergelegde criteria voor verstrekking van een gesloten buitenwagen.

3. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat hij naast zijn reeds bekende klachten ook aandoeningen aan zijn urinewegen en aanverwante organen heeft, waardoor het vervoer zonder de door hem gevraagde gesloten buitenwagen onredelijk wordt bemoeilijkt en die voorziening noodzakelijk is. Het gebruik van de scootmobiel levert voor appellant een verergering van zijn lichamelijke klachten op door uitlaatgassen en door kou en vocht bij slechte weeromstandigheden. Het collectief vervoer kan niet in de vervoersbehoefte van appellant voorzien vanwege de lange wachttijden. In verband met de verhuizing naar een andere wijk in Enschede heeft appellant een grote vervoersbehoefte naar zijn oude wijk waar vele van zijn sociale contacten, waaronder zijn moeder, nog wonen. Indien appellant niet meer in staat is om deze contacten regelmatig te onderhouden, zal hij in een sociaal isolement geraken. Ook zijn de af te leggen afstanden naar het centrum door de verhuizing groter geworden, welke afstanden appellant volgens hem in verband met zijn klachten niet met de scootmobiel kan afleggen. Ten slotte moet appellant regelmatig naar het ziekenhuis, zowel voor zichzelf als voor zijn dochter.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals is vermeld onder 1.2 heeft het College bij besluit van 5 augustus 2005 reeds afwijzend beslist op een aanvraag van appellant om toekenning van een gesloten buitenwagen. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Op 17 februari 2006 heeft appellant een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft het College de zaak opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in een dergelijk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.3. In zijn herhaalde aanvraag heeft appellant vermeld dat hij is verhuisd naar een woning die acht kilometer van het centrum is gelegen en dat zijn klachten verergeren als hij langdurig op zijn scootmobiel zit. Tevens heeft hij vermeld dat zijn klachten steeds erger worden, dat hij pijn ervaart bij koud en vochtig weer en in een stoffige omgeving benauwd raakt. Ten slotte heeft hij in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij inmiddels zijn eigen auto heeft verkocht.

4.4. In zijn aan het College uitgebrachte advies van 16 mei 2006 heeft de verzekeringsarts D.M.J.G.A. Jansen geconcludeerd, dat er ten opzichte van het voorgaande jaar geen sprake is van nieuwe medische aspecten. De arts heeft appellant op zijn spreekuur gezien en hij heeft bij zijn advies gegevens van de behandelend orthopeed van 23 januari 2006 en van de verzekeringsarts van het Uwv van 19 januari 2006 betrokken. De Raad is niet gebleken dat het advies van 16 mei 2006 met betrekking tot de nieuwe medische gegevens onzorgvuldig tot stand is gekomen of onjuist is. Appellant heeft niet aan de hand van medische stukken aangetoond, dat bij hem op medisch objectieve gronden sprake is van een aandoening waardoor hij geen gebruik kan maken van de scootmobiel. De door appellant gestelde verergering van zijn klachten kan dan ook niet als nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt.

4.5. Wat betreft de verhuizing, die volgens appellant tot een grotere vervoersbehoefte leidt, en het wegvallen van de auto gaat het op zichzelf om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Deze dwongen het College echter niet tot een ander besluit. Uit het medisch advies van 16 mei 2006 blijkt immers dat appellant nog steeds, adequaat gekleed, gebruik kan maken van zijn scootmobiel en voor zijn vervoer niet is aangewezen op een gesloten buitenwagen. Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat het College niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad ziet daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.C.P. Venema als leden in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) I. Mos.

NW