Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4582

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
08-195 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De brief van 30 december 2005 heeft niet beoogd een zelfstandig en als definitief bedoeld rechtsoordeel te geven. Geen besluit. Bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2009-11-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2010/21
JWWB 2010, 19
RSV 2010, 17
ABkort 2009/507

Uitspraak

08/195 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2007, 06/2902 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nijssen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2009. Voor appellant is, met voorafgaand bericht, niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Koppert, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is op 12 en 23 december 2005 na een oproep verschenen voor een gesprek op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI). Hij zou daarbij, blijkens de daarbij opgemaakte rapportage, niet de vereiste medewerking hebben verleend en zich in beledigende termen hebben uitgelaten tegenover de medewerkers van de DWI. Bij brief van 30 december 2005 is appellant onder meer het volgende meegedeeld:

“ (…) Hiermee bent u naar ons oordeel ernstig tekort geschoten in uw gedrag ten opzichte van gemeentepersoneel dat betrokken is bij de uitvoering van de WWB. Bij een dergelijke handelwijze stemmen wij de bijstand in principe af door de eerstkomende betaling van de bijstandsuitkering met € 200 te verlagen. Deze keer heeft dit geen gevolgen voor uw uitkering. Wij wijzen u erop dat wij bij een toekomstige aanleiding uw uitkering wel zullen verlagen of helemaal inhouden.(…)”

1.2. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 4 mei 2006 ongegrond verklaard. Nadien heeft het College dit laatste besluit herzien en het bezwaar bij besluit van 12 december 2006 alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij is overwogen dat het hier een informatieve mededeling in de vorm van een waarschuwing betreft, zodat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 12 december 2006 ingestelde beroep - voor zover hier van belang - ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de brief van 30 december 2005 geen publiekrechtelijke rechtshandeling bevat, dat de waarschuwing geen wettelijke grondslag heeft en geen wijziging brengt in de bestaande rechtspositie van appellant en dat geen sprake is van een verlaging van bijstand die is gematigd tot nihil.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat de brief van 30 december 2005 een schriftelijke waarschuwing behelst en dus geen verlaging van de bijstand (gematigd tot nihil), zoals appellant heeft betoogd. De Raad merkt voorts op dat noch de WWB noch de gemeentelijke Afstemmingsverordening WWB (hierna: verordening) een grondslag biedt voor het geven van een dergelijke waarschuwing. De Raad gaat voorts, op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, ervan uit dat het College met de brief van 30 december 2005 niet beoogd heeft een zelfstandig en als definitief bedoeld rechtsoordeel te geven, inhoudende dat appellant zich maatregelwaardig heeft gedragen en dat dit bij een volgende gedraging zonder meer als vaststaand gegeven en/of verzwarende omstandigheid wordt meegenomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat van de zijde van het College desgevraagd is bevestigd dat artikel 4, tweede lid, van de verordening zo moet worden opgevat dat, indien bij het afstemmen van de bijstand rekening wordt gehouden met eerdere verwijtbare gedragingen van de belanghebbende, die eerdere gedragingen alsdan ten volle worden beoordeeld. Dit betekent, dat de bij brief van 30 december 2005 gegeven waarschuwing geen wijziging brengt in de rechtspositie van appellant.

4.2. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, is de Raad van oordeel dat de brief van 30 december 2005 niet is gericht op zelfstandig rechtsgevolg en dus niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

4.3. Het hoger beroep treft daarom geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. Waasdorp.

mm