Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
26-11-2009
Zaaknummer
08-4662 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De rechtbank zag onvoldoende grond voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Volledig en voldoende medisch onderzoek. Aan de schatting zijn de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) en medewerker logistiek (sbc-code 111220) ten grondslag gelegd. Dat het opleidingsniveau van appellante onjuist zou zijn vastgesteld en dat appellante, naar thans wordt gesteld, zelfs in het geheel geen basisonderwijs in Turkije zou hebben genoten, acht de rechtbank niet aannemelijk, mede gelet op de gegevens die zijn opgenomen in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 februari 2008 en die deels zijn ontleend aan eerdere rapportages over appellante. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overschrijdingen van de belastbaarheid van de geduide functies voldoende en adequaat gemotiveerd. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4662 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 juni 2008, 07/6126 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 november 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Bouwman heeft zich aan de zaak onttrokken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2009. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman. Voorts was aanwezig O. Kalayci, tolk in de Turkse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellante was een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is bij besluit van 12 maart 2007 die uitkering door het Uwv met ingang van 9 mei 2007 ingetrokken op de grond dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 maart 2007 is bij besluit van 30 juli 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Zowel aan het besluit van 12 maart 2007 als aan het bestreden besluit ligt een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft vastgesteld dat een verzekeringsarts van het Uwv appellante op 15 februari 2007 heeft gezien en inlichtingen heeft ontvangen van appellantes huisarts. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld waarop appellantes beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn vermeld. Daarna heeft appellante op 8 maart 2007 een gesprek gehad met een arbeidsdeskundige waarin de arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar maatgevende arbeid. Voorts heeft de arbeidsdeskundige met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een aantal voorbeeldfuncties genoemd die appellante in staat wordt geacht te vervullen. Het verlies aan verdiencapaciteit is op minder dan 15% gesteld. In de bezwaarprocedure heeft een bezwaarverzekeringsarts onderzoek verricht door bestudering van het dossier en het bijwonen van de hoorzitting. Tevens zijn inlichtingen ingewonnen bij de behandelend psychiater en de behandelend KNO-arts. Op grond van de beschikbare medische gegevens is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat er medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. De bezwaarverzekeringsarts heeft aanvullende beperkingen met betrekking tot persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen en tevens heeft zij aangegeven dat appellante beperkt is voor nachtdiensten. De bezwaararbeidsdeskundige is tot de conclusie gekomen dat niet alle geduide functies voor appellante geschikt zijn. De functies van productiemedewerker industrie, productiemedewerker textiel en de expeditiemedewerker zijn nog wel voor appellante te duiden. Tevens heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat het maatmanloon onjuist is vastgesteld. Het verlies aan verdiencapaciteit bedraagt echter ook na deze aanpassingen minder dan 15%.

4. De rechtbank zag onvoldoende grond voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts een onderhoud met appellante heeft gehad. Tevens zijn er inlichtingen ontvangen van de huisarts. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts alvorens de rapportage op te maken de hoorzitting bijgewoond en inlichtingen ingewonnen bij de behandelend specialisten. De rechtbank acht het medisch onderzoek daarmee gebaseerd op een volledig en voldoende medisch onderzoek. Evenmin bestaan er aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de rapportages. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in verband met de klachten van appellante aanzienlijke beperkingen zijn aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de rapportage van 16 januari 2008 naar het oordeel van de rechtbank overtuigend uiteengezet dat er met de diverse beperkingen van appellante in voldoende mate rekening is gehouden. Daarmee is de rechtbank van oordeel dat het Uwv de medische rapportage ten grondslag kon leggen aan het bestreden besluit.

5. Ten aanzien van het arbeidskundig gedeelte van de aangevochten besluitvorming heeft de rechtbank overwogen dat aan de schatting de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), productiemedewerker textiel (sbc-code 272043) en medewerker logistiek (sbc-code 111220) ten grondslag zijn gelegd. Dat het opleidingsniveau van appellante onjuist zou zijn vastgesteld en dat appellante, naar thans wordt gesteld, zelfs in het geheel geen basisonderwijs in Turkije zou hebben genoten, acht de rechtbank niet aannemelijk, mede gelet op de gegevens die zijn opgenomen in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 februari 2008 en die deels zijn ontleend aan eerdere rapportages over appellante. Ook overigens worden in de functies volgens de rechtbank geen eisen gesteld ten aanzien waarvan geoordeeld zou moeten worden dat appellante deze op grond van haar opleiding en/of werkervaring niet zou kunnen vervullen. In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat de bezwaararbeidsdeskundige terecht heeft opgemerkt dat bij geen van de geduide functies speciale eisen aan de taalbeheersing worden gesteld. Overigens beheerst appellante blijkens het door haar overgelegde diploma de Nederlandse taal voor wat betreft het luisteren en spreken op NT2 niveau 2 en voor wat betreft het lezen op NT2-niveau 1. De rechtbank heeft ten slotte vastgesteld dat de bezwaararbeidsdeskundige Wouters in bezwaar het CBBS opnieuw heeft geraadpleegd en onderzocht of de geduide functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellante vallen. In het rapport van 23 juli 2007 heeft deze bezwaararbeidsdeskundige alle signaleringen nader gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overschrijdingen van de belastbaarheid van de geduide functies voldoende en adequaat gemotiveerd.

6. Appellante heeft in hoger beroep dezelfde gronden aangevoerd die zij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Appellante is het niet eens met dit besluit omdat zij zich meer beperkt acht dan door het Uwv is aangenomen. Haar problemen en complicaties zijn door het Uwv onvoldoende onderkend. Ook is appellante van mening dat er ten onrechte niet aangegeven is dat er sprake is van een urenbeperking. Bijgevolg zijn de geduide functies in medisch opzicht niet geschikt. Voorts acht appellante deze functies ook niet geschikt nu het opleidingsniveau van appellante niet aansluit bij hetgeen in die functies wordt verlangd.

7. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, weergegeven in 4 en 5 en maakt die tot de zijne. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

8. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.R.A. van Raaij.

IvR